Alle berichten van arquus15

Nadine Gordimer en J.M.Coetzee

Mijn notaris is een zwerver: Kritische romans van Nadine Gordimer en J. M. Coetzee

Nadine Gordimer, My Son’S Story,…

J.M.Coetzee, Age of Iron, Uitg. Bloomsbury

Gordimer-Rothman-74415558‘Ik woon 2000 meter boven de zeespiegel in een maatschappij die stampend en zwaaiend in het rond tolt, meegesleept door de maalstroom van revolutionaire veranderingen. De stad is Johannesburg, het land Zuid-Afrika en de tijd de nadagen van het koloniaal tijdperk in Afrika.’ Zo typeerde Nadine Gordimer in 1982 tijdens een lezing de explosieve situatie in haar geboorteland en, impliciet, haar eigen stellingname tegenover die situatie. Als Gordimer zichzelf voorstelt als schrijvend en denkend vanuit het episch centrum van de gebeurtenissen en tevens vanaf een strategische hoogte (2000 meter), brengt zij twee wezenskenmerken van haar schrijverschap tot uitdrukking. Aan de ene kant voelt zij zich nauw betrokken bij de ontwikkelingen in Zuid-Afrika, aan de andere kant is zij een scherp en afstandelijk waarnemer die zich door haar engagement en gefascineerdheid met de strijd tegen de apartheid niet wil laten meeslepen en verblinden. ‘The tension between standing apart and being fully involved, that is what makes a writer’, schreef zij in een van de opstellen over politiek en literatuur in de bundel The essential gesture (1988) en verwoordde daarmee een credo dat regelrecht en tot in zijn formulering voortvloeit uit de specifieke context waarin zij woont en werkt.

De schrijversloopbaan van de in 1923 geboren Nadine Gordimer valt precies samen met de geschiedenis van de naoorlogse apartheid. Gordimer publiceerde haar eerste verhalen onder de titel Face to Face in 1949, een jaar nadat de gezamenlijke verkiezingszege van de ‘boerenpartijen’ (de Nasionale Party en de Afrikaner partij) de weg had vrijgemaakt voor de wettelijke invoering van de apartheid. De zeven verhalenbundels en tien romans die zij in de daaropvolgende veertig jaar heeft doen verschijnen en waarin successievelijk de verschillende episodes uit de recente Zuidafrikaanse geschiedenis aan de orde zijn gekomen, laten zich lezen als een kroniek van het leven onder het apartheidsregime. Zo speelt A world of strangers (1959) tegen de achtergrond van het gezamenlijke verzet van zwarten en blanken tegen de apartheidswetten in de jaren vijftig. Het levensverhaal van de blanke advocaat Abram Fischer die als lid van de verboden Zuidafrikaanse Communistische partij in 1966 terecht stond en veroordeeld werd tot levenslange gevangenisstraf, heeft Gordimer geinspireerd tot het in 1979 verschenen Burger’s daughter. In July’s people (1981) laat ze het spookbeeld van revolutie en anarchie werkelijkheid worden, dat sinds de gebeurtenissen in Soweto in 1976 in Zuid-Afrika rondwaart, en waaraan ze ook in de hierboven genoemde lezing refereerde. Het breed opgezette A Sport of Nature (1986) gaat terug tot Sharpeville en de grote politieke processen die volgden op het verbod van de belangrijkste anti-apartheidsbewegingen in 1960, het African National Congress en het Pan-Africanist Congress, maar heeft als zwaartepunt de beschrijving van het zwervend bestaan van politieke ballingen die in de jaren zestig en zeventig hun strijd tegen de apartheid in de buurlanden van Zuid-Afrika en in Europa voortzetten.

Gewetensconflicten

Gordimer toont zich in haar werk gefascineerd door de moed en doelbewustheid van mensen die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid boven hun persoonlijke belangen stellen. De geschiedenis van anti-apartheidsstrijders als Fischer en Mandela heeft haar geleerd dat er geen zaak is die zoveel morele autoriteit uitstraalt als zelfopoffering, maar ze is er ook als geen ander van doordrongen dat de keuze voor engagement en zelfverloochening vaak frontaal botst met andere verantwoordelijkheden en daardoor een onuitputtelijke bron van gewetensconflicten is. In Gordimers romans fungeert het leven in de Zuidafrikaanse samenleving met zijn moeilijke dilemma’s als een vuurproef voor persoonlijke integriteit, waar maar weinige van haar personages zonder kleerscheuren uit te voorschijn komen.

Ook in haar meest recente roman My Son’s Story laat Gordimer zien dat persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheden, individuele vrijheid en trouw aan een persoon of zaak maar moeilijk met elkaar te verenigen zijn. Zoals zij in Burger’s daughter de levensgeschiedenis van de blanke communist Lionel Burger vertelde vanuit het perspectief van diens dochter Rosa, zo laat Gordimer in My Son’s Story het verhaal van de kleurling en politieke activist Sonny vertellen door diens zoon Will. Kinderen zijn doorgaans weinig toegeeflijke biografen die beschikken over een schat aan genadeloos onthullende intieme details. Met een kleine variatie op een uitspraak van de Frans-Roemeense schrijver Cioran die beweerde dat het ongelooflijk is dat het vooruitzicht om in de handen van een biograaf te vallen er nog nooit iemand van heeft doen afzien om een leven te hebben, zou je kunnen zeggen dat het ongelooflijk is dat het vooruitzicht om door je kinderen beoordeeld te worden, maar zo weinig mensen ervan doet afzien om ze te krijgen.

Will begint zijn verhaal op het moment dat hij er bij toeval achterkomt dat zijn voorbeeldige, door iedereen bewonderde vader die een vooraanstaand anti-apartheidsstrijder is, een buitenechtelijke verhouding heeft. Die ontdekking vervreemdt hem van allebei zijn ouders. Van zijn vader omdat deze de normen van trouw en zelfrespect die hij zijn kinderen met de paplepel heeft ingegoten, zelf met voeten treedt; van zijn moeder niet alleen omdat hij zijn kennis niet met haar kan delen, maar ook omdat hij zich ergert aan haar schijnbare argeloosheid en volgzaamheid. Gelukkig heeft Gordimer het levensverhaal van haar held Sonny niet alleen aan zijn sombere, introverte zoon toevertrouwd, maar belicht zij zijn lotgevallen ook vanuit andere gezichtspunten, dat van Sonny zelf, dat van zijn vriendin Hannah en dat van een anonieme verteller in wie zijzelf te herkennen is. Op die manier ontkomt zij aan de beperkte invalshoek van de opstandige Will en schept zij zo niet sympathie dan toch wel begrip voor de beweegredenen van haar hoofdfiguur, die onder de loep van al die vertellers buitengewoon complex en veranderlijk blijken te zijn. Sonny’s ontrouw ontketent zowel in zijn politieke loopbaan als in zijn persoonlijke leven een kettingreactie aan het eind waarvan hij met verbijstering moet constateren dat de rollen zijn omgedraaid en dat de voorbeeldfunctie die hij zo lichtvaardig heeft verzaakt, door de andere leden van zijn gezin op onverwachte wijze is overgenomen.

Gordimer, die in tegenstelling tot vele andere blanke en zwarte schrijvers Zuid-Afrika nooit heeft willen verlaten, is van mening dat in haar land maatschappelijk engagement een onontkoombare morele verplichting is voor iedereen die zich de luxe van een dergelijke keuze kan permitteren. Zij is er echter ook van overtuigd dat die keuze in vrijheid moet worden gemaakt en dat je haar niet aan anderen mag opdringen. Het is dan ook uiteraard geen toeval dat zij het levensverhaal van haar politieke ‘helden’ laat vertellen door hun kinderen die in opstand komen tegen de claim die er door het engagement van hun ouders op hun leven wordt gelegd. Gordimer heeft het zichzelf met de keuze van haar hoofdverteller in My Son’s Story niet gemakkelijk gemaakt; het verhaal van de vijftienjarige opstandige zoon is soms wat al te onverholen Freudiaans, terwijl de schildering van het bestaan van die merkwaardige middengroep in Zuid-Afrika, de kleurlingen, niet altijd even overtuigend is. In de beschrijving van het politieke milieu en van de verhouding tussen Sonny en Hannah, heeft Gordimer echter duidelijk vaste grond onder de voeten en ontrafelt ze trefzeker en subtiel het net van complexe paradoxen waarin de apartheid de Zuid-Afrikanen, van blank tot zwart, nog steeds gevangen houdt.

Doodziek

De revolutie smeult, er lijkt een nieuwe ijzeren eeuw, een nieuw tijdperk van oorlog en geweld aangebroken, het land is ook dit keer weer Zuid-Afrika. De doodzieke Elizabeth Curren heeft begin 1986 nog maar een paar maanden te leven. Dat is het basisgegeven van Age of Iron, de zesde roman van de in 1940 in Kaapstad geboren J. M. Coetzee. Terwijl Gordimer personages schept wier karakter extra relief krijgt door de omstandigheden waarin ze moeten leven en de keuzes die ze gedwongen zijn te maken, is bij Coetzee eigenlijk het omgekeerde het geval. Bij Coetzee zijn het de omstandigheden die extra aangezet worden doordat zijn personages er hun existentiële ervaringen op projecteren eenzaamheid, drift, angst voor verval en dood. Dat de omstandigheden in Zuid-Afrika waar ook Coetzee zijn boeken doorgaans situeert, zich daar goed voor lenen, behoeft geen betoog. Met romans als In the heart of the country (1977), Waiting for the barbarians (1980) en Life and Time of Michael K. (1983) heeft Coetzee zich geplaatst in de traditie van schrijvers als Kafka en Beckett, de ‘habitues van Grand Hotel de Afgrond’, zoals de marxistische literatuurtheoreticus Lukács ze noemde.jm-coetzee-39151-1-402

Elizabeth Curren is een gepensioneerde lerares klassieke talen die haar laatste dagen in eenzaamheid slijt in een te groot geworden huis in Kaapstad. Haar dochter is jaren geleden naar Amerika geemigreerd en heeft gezworen nooit meer een voet in het land van de apartheid te zetten. Uit respect voor die beslissing besluit Elizabeth Curren haar dochter niet te laten weten dat ze ongeneeslijk ziek is. Bij wijze van testament wil ze haar na haar dood een geschreven verslag van haar laatste maanden sturen. Het verzenden van dat verslag vertrouwt ze toe aan een alcoholische zwerver die zijn intrek heeft genomen in een rommelhok in haar tuin en die ze niet wil wegjagen, ook al haalt ze zich daarmee het ongenoegen van haar zwarte bediende Florence op de hals.

Florence, die zelf afkomstig is uit een sloppenwijk en zich doodwerkt voor een menswaardig bestaan, kan geen enkele sympathie opbrengen voor een morsige blanke drop-out. De zwijgzame, weinig toeschietelijke zwerver, mijnheer Vercueil, trekt zich van dat misprijzen niets aan en laat zich de goedheid van zijn weldoenster welgevallen zonder zich in een ondergeschikte rol te laten manoeuvreren. Hoewel Elizabeth Curren geen last heeft van vooroordelen en weet dat een zieke oude vrouw in de sociale hierarchie ook niet zoveel waard is, kan ze een milde verwondering toch niet onderdrukken, als Vercueil zich totaal niet vatbaar toont voor het idee dat er rangen en standen zijn. De schrijnende, maar ook onweerstaanbaar komische dialogen tussen de voormalige lerares met haar humanistische ideeen en de flegmatieke, monosyllabische Vercueil, behoren tot de hoogtepunten van het boek.

Oproerpolitie

Hoewel zij niet weet of haar woorden wel tot zijn permanent benevelde bewustzijn doordringen, maakt Elizabeth Curren Vercueil deelgenoot van de tumultueuze ervaringen die het slot van haar leven voor haar in petto blijkt te hebben. Door toedoen van de vijftienjarige zoon van Florence, Bheki, raakt ze betrokken bij een aantal gebeurtenissen die haar van dichtbij confronteren met de afschuwelijke toestand in haar land. Coetzee laat de zieke Elizabeth getuige zijn van onlusten in een van de sloppenwijken aan de rand van Kaapstad, waarbij de oproerpolitie met scherp op de menigte schiet. Het is een fantastisch beschreven scene waarin je je als lezer samen met de hoofdpersoon al in de hel waant. Een desolate zandvlakte vol huisvuil, stromende regen, rook van de in brand gestoken, nog nasmeulende huizen, een vijandige menigte, en in een loods waarvan alleen de vier muren nog overeind staan, de ontzielde lichamen van Bheki en zijn vrienden. Kinderen nog, die zich door de frasen van de revolutie het hoofd op hol hebben laten brengen en spelenderwijs de dood zijn ingelopen. Hoewel zij zich ervan bewust is dat zij in de ogen van zwarte en blanke omstanders niet meer is dan een dwaze, machteloze oude vrouw, leest Elizabeth de blanke soldaten die daar de wacht houden, de les, als was het haar schoolklas; ‘Waarom leggen jullie je geweren niet neer en gaan jullie niet gewoon naar huis, allemaal. Niets kan erger zijn dan wat jullie hier aan het doen zijn. Erger voor jullie zieleheil, bedoel ik’. Nutteloze woorden van een zieke wier rol overduidelijk is uitgespeeld: de soldaten halen hun schouders op en gaan verder met wat voor hen tot een dagelijkse routine is geworden.

In Age of Iron verkeert de hoofdpersoon in een situatie die is ontdaan van alle franje waarmee de mens zijn leven pleegt op te sieren en zin te geven. Geconfronteerd met de wezensvragen van het bestaan, moet Elizabeth Curren bekennen dat veel van de ideeen waaraan ze troost zou kunnen ontlenen en veel van de normen volgens welke ze heeft geprobeerd te leven, ontkracht worden door de ontaardheid van de maatschappij waarvan de doodsstrijd zich parallel aan haar eigen stervensproces voltrekt. Door de afwezigheid van haar dochter wordt de moeder-kindrelatie en daarmee het troostrijke idee van de natuurlijke cyclus van leven en dood voor Elizabeth tot een dorre abstractie die haar minder verlichting geeft dan de lichaamswarmte van de zwerver en zijn hond die haar op haar doodsbed gezelschap houden.

Onzeker voortbestaan

De vervreemding tussen deze moeder en haar kind die het resultaat is van de apartheid, weerspiegelt iets dat zich in Zuid-Afrika op grote schaal voltrekt. Een land dat zijn eigen jeugd uitmoordt, stelt zijn eigen voortbestaan in de waagschaal.

De gedachte dat ze als een goed mens geleefd heeft, kan Elizabeth al evenmin troosten, want de gebeurtenissen waarvan ze getuige is geweest, doen haar tot de slotsom komen dat ze ernstig tekort is geschoten. In een land waarin opnieuw een ijzeren eeuw lijkt te zijn aangebroken, is het helaas niet voldoende om humanistische waarden als redelijkheid en tolerantie in ere te houden: ‘Zuid-Afrika heeft fatsoenlijke inwoners te over, zegt ze tegen Vercueil, maar deze tijd heeft behoefte aan iets heel anders dan aan fatsoen. Deze tijd schreeuwt om helden… Het is tijd voor vuur, tijd voor het einde, tijd voor wat slechts uit as herboren kan worden’.

Anders dan bijvoorbeeld Waiting for the Barbarians en The Life and Time of Michael K. waarin de tijd en de plaats van de handeling veel minder precies worden aangegeven, sluit Age of Iron zo nauw aan bij de historische werkelijkheid en zijn de personages zo specifiek beschreven dat allegorie en realisme elkaar volmaakt in evenwicht houden en het verhaal zich heel goed op twee niveaus laat lezen. Zo kan Elizabeth Curren gezien worden als de belichaming van de humanistische waarden die in het Zuid-Afrika van Coetzee ten dode lijken opgeschreven, maar wordt ze ook heel concreet beschreven als een vrouw die onder moeilijke omstandigheden haar leven op een waardige manier tot een goed einde probeert te brengen. Zo ook kan Vercueil gezien worden als de veerman die Elizabeth over de Styx moet brengen, maar is hij tevens een morsige dakloze zwerver met een hond die op zijn eigen manier de maatschappij de rug heeft toegekeerd. Florence, tenslotte, de rouwende moeder die samen met haar twee dochtertjes in een droom aan Elizabeth verschijnt als Isjtar, de Assyrische godin van de moederlijke liefde en van de oorlog, is ook een van de talloze Afrikaanse vrouwen die hun zonen aan de revolutie zijn kwijtgeraakt.

Age of iron is een intens en geserreerd geschreven, beklemmend boek met een boodschap die ondanks alle pessimisme toch plaats voor hoop laat. Elizabeth Curren treedt haar dood waardig tegemoet, omdat zij zich, in weerwil van al haar sombere conclusies, hardnekkig blijft vastklampen aan de strohalm van de rede. En volgens J. M. Coetzee is dat de manier waarop de mens zijn lot moet dragen en waarop zijn land kan ontkomen aan de ondergang.

Manet van Montfrans, 26 oktober 1990

Bartleby the Scrivener

EIGENLUK LIEVER NIET- EPILOOG

But the devil himself cannot make him say yes

(Melville, Correspondentie)

EEN MERKWAARDIG VERSCHIJNSEL in de muziek is het bestaan van
de zogenaamde boventonen. Deze boventonen worden niet afzonderlijk
maar als een integrerend bestanddeel van de grondtoon waargenomen
en bepalen er het timbre van. Wie zich van het bestaan van dit
verschijnsel wil vergewissen, kan op een piano een toets geluidloos
neerdrukken zodat de daarbij behorende snaar onbelemmerd is. Correspondeert
de snaar met een van de boventonen van een lager gelegen
toets, dan is het voldoende om de desbetreffende lagere toets aan te
slaan om de onbelemmerde snaar mee te laten trillen. Zodra de klanken
van de aangeslagen toets verstomd zijn, wordt dan een enigszins
onwezenlijke galm hoorbaar. De functie van een epiloog Iaat zich
vergelijken met die van de geluidloos neergedrukte pianotoets en de
daardoor vrijgemaakte snaar. Terwijl de grondtoon wegsterft, ijlt in
een epiloog de boventoon na.
In de voorgaande bijdragen is een aantal begrippen en verschijnselen
in het licht van het voor Europa karakteristiek geachte faustische
perpetuum mobile geplaatst. In deze epiloog hoop ik een boventoon
van dit grondthema te laten resoneren in een figuur die in alles de
ontkenning lijkt van de wereldhongerige Faust. Een figuur die wars is
van expansiedrang en zonder morren zijn leven slijt aan een tafel met
achter zich een kamerscherm en voor zich een raam dat uitzicht biedt
op een blinde muur. Een figuur die niet geplaagd wordt door romantische
scheppingsdrift, maar zich tevreden stelt met het woord voor
woord kopiëren van droge juridische teksten en zelfs die bezigheid
tenslotte staakt omdat hij laten prefereert boven doen. Een figuur die
weet dat degene die ja zegt zijn lot uit handen geeft, en daarom alle
voorstellen die hem gedaan worden, geduldig en zonder stemverheffing,.
afwijst. Niet met een openlijk nee, want dat zou hem als rebel
kwalificeren en hem in een actieve rol dwingen, maar met een beleefde formule die zijn omgeving elke mogelijkheid tot weerwoord ontneemt: ‘I would prefer not to’.

Manet van Montfrans, ‘Eigenlijk liever niet’, De onrust van Europa, fragmenten van cultuur, politiek, recht en economie.  Tom Eijsbouts, W.H.Roobol e.a. (red.) ,  Amsterdam University Press, 1993, 253-261.

Zie Pdf Bartleby -OnrustEuropa (1)

De rue Simon-Crubellier in Amsterdam

De  rue Simon-Crubellier op het Stadionplein

Sinds november 2018 is de rue Simon-Crubellier, het adres van het appartementengebouw in Perecs grote roman, Het leven een gebruiksaanwijzing ,  niet langer een imaginair adres. In november 2018 werd in Amsterdam, op het plein tegenover het voormalig Olympisch stadion, een omgevingskunstwerk onthuld dat door de maker, de Britse kunstenaar Matthew Darbyshire (Cambridge, 1977),  ‘11, rue Simon Crubellier’ werd gedoopt. Het is een drie-kamerappartement zonder muren, de meubilering ervan kwam tot stand door een selectie uit vijftig soorten huishoudelijke voorwerpen, van elke soort waren er vijf items waaruit de bewoners van het plein een keuze mochten maken. Vier van de vijf items waren afkomstig uit Nederlandse museumcollecties, zoals apparatuur uit het Nemo museum of designmeubilair uit het Stedelijk Museum Amsterdam. De definitief gekozen meubels en gebruiksvoorwerpen, enigszins cartoonesk uitvergroot, zijn vervaardigd uit zwart brons en grijs beton. Darbyshire zegt zich bij zijn werkwijze te hebben laten inspireren door de contraintes en de vormaspecten van Het leven een gebruiksaanwijzing.

Het kunstwerk is bedoeld als ontmoetingsplek voor de buurtbewoners in de openbare ruimte maar heeft ook een kritische teneur. Het interieur weerspiegelt de wijk: de algemene smaak, de sociaaleconomische samenstelling, leeftijdsopbouw, ras en geloof.

Zie ook https://marionalgra.wordpress.com/

Een man die slaapt

een man die slaapt 9200000102208312Heruitgave van Georges Perec: Een man die slaapt. Vertaling Rokus Hofstede. De Arbeiderspers, 2018.

 La vie mode d’emploi (1978), het magnum opus van Georges Perec (1936-1982), dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen en terecht door publiek en kritiek bejubeld werd, beschrijft in 99 hoofdstukken de bewoners en de inboedel van 100 vertrekken in een negentiende-eeuws Parijs appartementengebouw. Hoofdstuk 52 gaat over een van de voormalige huurders van het dienstbodenkamertje helemaal rechts boven in het pand. Deze huurder, Grégoire Simpson, wordt beschreven als een wat eigenaardige jongeman, die van de ene dag op de andere zijn studie geschiedenis opgeeft, zich afsluit voor de buitenwereld, en zich, rokend of sluimerend op zijn bed, wijdt aan oefeningen in onverschilligheid en onthechting. Op een dag verdwijnt hij spoorloos.

Het postscriptum van La vie mode d’emploi bevat een alfabetische lijst met de namen van de dertig auteurs wier werk Perec ‘in soms licht gewijzigde vorm’ in zijn roman geciteerd heeft. Op die lijst vermeldt Perec niet alleen zijn lievelingsschrijvers zoals Flaubert, Kafka en Melville, maar ook zichzelf. Een vergelijking van hoofdstuk L11 van La vie mode d’emploi met het eveneens in Nederlandse vertaling verschenen Un homme qui dort (1967) leert dat Perec de kunst van het citeren inderdaad met overgave heeft beoefend, ook waar het zijn eigen werk betreft. De figuur van Grégoire Simpson doet niet alleen denken aan Kafka’s Gregor Samsa en Melvilles weigerachtige klerk Bartleby, maar lijkt ook nog eens als twee druppels water op de naamloze hoofdpersoon die Perec al eerder, in die beklemmende en raadselachtige roman van 1967, ten tonele had gevoerd en gehuisvest had in een identiek zolderkamertje.

Perec ontleende de titel van Un homme qui dort aan de beroemde openingspassage van Prousts A la recherche du temps perdu: ‘Iemand die slaapt spant in een cirkel de draad der uren om zich heen, de orde der jaren en werelden’. Wie daar echter uit zou afleiden dat bij Perec, net zoals bij Proust, de slaap in zijn verschillende verschijningsvormen fungeert als springplank voor het geheugen, komt bedrogen uit. In Un homme qui dort is de slaap nooit meer dan een korte, onrustige sluimer en zwijgt het geheugen.

Perecs ‘slaper’ staat, net zoals zijn latere replica Grégoire Simpson, ronduit afwijzend tegenover de wereld. Om een toestand van volkomen onverschilligheid, van volledige apathie te kunnen verwezenlijken, balanceert hij als een koorddanser op de grens tussen buiten- en binnenwereld. Hij beperkt zijn gedachtenleven tot de registratie van zijn zintuiglijke gewaarwordingen, en onthoudt zich van van elke vorm van interpretatie of beoordeling, van elke herinnering en elke associatie. Slapen of liever gezegd inslapen is een van de bewustzijnstoestanden die zich daar het best toe lenen. De beelden die zich tijdens de overgangsperiode tussen waken en slapen, aan de slaper opdringen en die voortkomen uit een combinatie van de vage zintuiglijke gewaarwordingen van de wereld om hem heen en de impulsen uit zijn hersens, drijven als losse wrakstukken op de stroom van zijn bewustzijn. Op het moment dat de slaap dieper wordt en de hoofdpersoon dreigt af te glijden naar het domein van de meer coherente dromen en de herinneringen, schrikt hij doorgaans wakker. Het eerste deel van het boek, dat is opgebouwd uit elkaar afwisselende waak- en slaapscènes, eindigt niettemin met een nachtmerrie, die de ommekeer van het verhaal bewerkstelligt. De onverschilligheid slaat om in een panisch gevoel van verlatenheid, en in het tweede deel wordt beschreven hoe deze reis naar het einde van de nacht uitmondt in een overhaaste terugkeer van de hoofdpersoon naar de wereld van zijn wakkere soortgenoten.

Perecs literaire keuzes zijn altijd radicaal en dwingend. In Un homme qui dort plaatst hij zijn lezer in het bewustzijn van de hoofdpersoon die consequent in de jij-vorm wordt aangesproken. Hoewel de lezer er door dat procédé toe gebracht wordt zich met het personage van de Parijse student te vereenzelvigen en zich onder de invloed van Perecs herhalende, bijna bezwerende stijl door hem laat meevoeren naar het schemergebied van zijn bewustzijn, kan hij alleen maar gissen naar de oorzaak van zijn onverschilligheid en zijn angst. Wel wordt in de loop van het verhaal duidelijk dat het niet functionerende geheugen en de nadrukkelijk afwezige herinneringen een spilfunctie hebben. Pas in het openlijk autobiografische W ou le souvenir d’enfance (1975) de herinneringen aan de kindertijd van een joodse wees in Vichy-Frankrijk, laat Perec het geheugen spreken. In retrospectie wordt dan duidelijk waar hij in Un homme qui dort op zo’n intrigirende wijze omheen draait.

Manet van Montfrans, NRC Handelsblad 3 januari 1997.

Marcel Proust Aujourd’hui no 15: Proust et l’argent

MPA 15 9789004383999Marcel Proust Aujourd’hui no 15:  Proust et l’argent  (Sjef HouppermansManet van MontfransAnnelies Schulte NordholtSabine van Wesemael and Nell de Hullu-van Doeselaar, red.), Leiden, Brill, november 2018

Chez Proust, l’argent est beaucoup plus que l’argent, il devient véhicule de passions, de pulsion, d’excès. Loin de se limiter à la dimension sociologique du roman, il  joue un rôle à d’autres niveaux: esthétique, imaginaire, mais surtout affectif, dans le motif récurrent du don. Dans une série de huit études , le dossier thématique de la revue  Marcel Proust Aujourd’hui no 15 éclaire les diverses facettes de cet imaginaire de l’argent, qui s’infiltre dans les relations humaines ainsi que dans l’art.

Link: https://brill.com/view/serial/MPA

Bulletin Marcel Proust Vereniging 8, 2018

Manet van Montfrans & Wouter van Diepen (red.), Bulletin Marcel Proust Vereniging, no 8.    Amsterdam, De Boekdrukker, 2018.

Binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij een herziene en geannoteerde uitgave van de vertaling door Thérèse Cornips van A la recherche du temps perdu.  Eindelijk zal Prousts roman weer in zijn geheel voor het Nederlandse publiek toegankelijk zijn.

Dit nummer van het Bulletin van de Nederlandse Marcel Proust Vereniging gunt de lezer alvast een blik in het laboratorium van de annotaties en het bronnenonderzoek die hem door het doolhof van verwijzingen naar de historische en culturele achtergrond van de Recherche zullen loodsen. Ook de geheimen van dat andere bijna klassieke struikelblok bij de lectuur van de Recherche,  ‘de lange zin’, worden ontraadseld.

Suggesties voor een zijpad tijdens het lezen van de Recherche bieden de beschouwingen over kunstenaars als Van Dongen en Schlöndorff die Prousts meesterwerk  in hun eigen vormentaal durfden weer te geven zonder daarbij hun inspiratiebron tekort te doen – Van Dongen in zijn kleurige aquarellen, Schlöndorff in zijn verfilming van Un amour de Swann. Of het vraaggesprek met violiste Maria Milstein die samen met haar zuster de pianiste Nathalia Milstein recent enkele composities vertolkten die Proust bij het schrijven over muziek hebben geïnspireerd.

‘Uitgaan van wat je liefhebt’, is niet alleen het adagium van Maria Milstein maar van alle medewerkers aan dit nummer geweest.

Inhoudsopgave

Wouter van Diepen, Manet van Montfrans

Inleiding

 Annelies Schulte Nordholt

Jaarverslag 2017

Charlotte Vrielink

De abstractie overwonnen? Kees van Dongen als illustrator van de Recherche

 Annelies Schulte Nordholt

Volker Schlöndorffs Un amour de Swann opnieuw bekeken

 Ieme van der Poel

Menselijke dierentuinen en Nesselrode-pudding. Kanttekeningen bij de annotatie van de Nederlandse vertaling van A l’ombre des Jeunes Filles en Fleurs

 Sjef Houppermans

Van Zaragoza tot Verdun. De geschriften van Luc Fraisse

 Nell de Hullu-van Doeselaar

De lange zin bij Proust: bekroning of bravoure

 Camiel van Woerkum

Een complexe wereld vraagt om een complexe zin. Een Spitzeriaanse analyse van de Proustiaanse ‘période’

 Wouter van Diepen

Uitgaan van de muziek die je liefhebt. Een gesprek met Maria Milstein

MPV_bulletin_nr8_cover (29-09-2018)

Ballonnen aan het front: Levendig oorlogsdagboek van Jean-Paul Sartre

Jean-Paul Sartre, Carnets de la drôle de guerre, Septembre 1939-Mars 1940. Uitg. Gallimard, 680 blz. Prijs: ƒ75,10

De in 1983 door Gallimard gepubliceerde dagboeken verschenen in vertaling bij De Arbeiderspers in het Privé-domein onder de titel Schemeroorlog (1983).

Van de vijftien oorlogsdagboeken werden er vijf in 1983 gepubliceerd, de Carnets 3, 5, 11, 12 en 14. De rest werd verloren gewaand. De onverwachte vondst van Carnet 1 in 1991 was voor Gallimard aanleiding om tot een nieuwe uitgave over te gaan. In deze nieuwe Carnets de la drôle de guerre zijn behalve de al eerder in 1983 verschenen teksten nu ook de 160 bladzijden van het teruggevonden dagboek opgenomen. De appendix bevat een selectie uit de brieven die Sartre in deze eerste oorlogsperiode aan Simone de Beauvoir schreef, waardoor het de lezer ook duidelijk wordt waarmee hij zich in de periodes van de nog niet teruggevonden dagboeken bezighield.

Hoe verhelderend en noodzakelijk dergelijke overzichtsstudies ook zijn, zij leggen de nadruk op ideeën, instituties en maatschappelijke ontwikkelingen. De denkers die erin besproken worden, blijven noodgedwongen vaak wat schimmige dogmatische figuren. Wie nu met een dergelijk schematisch beeld van Sartre in het achterhoofd de oorlogsdagboeken openslaat, zal tot zijn verrassing een levendig en nieuwsgierig schrijver aantreffen die van mening is dat alle ervaringen, positief of negatief, leerzaam zijn, en die bereid is om alles en iedereen, ook zichzelf, ter discussie te stellen. Een schrijver die bovendien met een aanstekelijk gevoel voor humor en in een zeer gevarieerde vorm verslag doet van de alledaagse werkelijkheid van een bijzondere historische periode.

Alpinopet

Ziet Sartre de oorlog aanvankelijk als een lastige spelbreker die zijn comfortabele bestaan van jong en veelbelovend schrijver wreed vestoort (La Nausée werd in 1938 warm onthaald), al gauw raakt hij geboeid door het vreemde schouwspel in zijn nieuwe omgeving. In kleine anekdotes, korte dialogen en rake beschrijvingen schetst hij de lachwekkende gewichtigdoenerij van zijn superieuren, de fysieke en psychische eigenaardigheden van zijn medesoldaten en de absurditeit van de drôle de guerre, die schemeroorlog die eigenlijk geen oorlog is, dat eindeloze wachten op een vijand die zich enkele kilometers verderop heeft verschanst maar zich niet laat zien. Ook zijn eigen rol vindt hij meer lachwekkend dan heroïsch: hij beschrijft zichzelf als een klein loensend mannetje van krap 1.57m met een alpinopetje, dat als opdracht heeft een aantal malen per dag ballonnen op te laten om ballistische berekeningen te maken, terwijl er maanden lang geen schot wordt gelost. Veel van deze observaties zal Sartre gebruiken in L’âge de raison, de roman waarmee hij op dat moment bezig is.

“In dit dagboek wil ik,” zo schrijft Sartre op 1 oktober 1939, “erachter komen wat oorlog voeren nu eigenlijk inhoudt en wil ik mijzelf in de confrontatie met die oorlog leren kennen.” Sartre wisselt zijn satirische observaties van de wereld om hem heen dan ook af met veel introspectieve beschouwingen. Is hij nu, zoals hij altijd dacht, een pacifist? En als hij dat is, waarom weigert hij dan geen dienst? Wat houdt nu in een oorlogssituatie eigenlijk die vrijheid in waar hij zoveel waarde aan hecht? En draait hij zichzelf met al zijn redeneringen en zogenaamde motivaties geen rad voor ogen?

Het portret dat Sartre van zichzelf in deze dagboeken schetst, is niet gewichtig of zwaarmoedig, maar heeft wel iets heel ongrijpbaars. Hij denkt onophoudelijk na over zijn eigen handelingen en beweegredenen, maar neemt van die reflectie ook steeds weer afstand. Zodra hij een bepaalde gedraging of emotie heeft geanalyseerd of daar een oordeel over heeft uitgesproken, betrekt hij een andere positie van waaruit de hele zaak weer op losse schroeven wordt gezet.

Kronkelwegen

Zo noteert hij bijvoorbeeld op 21 oktober 1939 dat hij wel enige voldoening voelt over de manier waarop de Franse Communistische Partij door het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin in de problemen is geraakt. Hij heeft in het verleden geweigerd om zich bij de communisten aan te sluiten en voelt zich achteraf alsnog in het gelijk gesteld door de omstandigheden. Vervolgens bedenkt hij echter dat deze afloop hem een wel erg handige rechtvaardiging van zijn beslissing van destijds biedt. De acceptatie van die rechtvaardiging zou van ‘kwade trouw’ getuigen, want aan zijn beslissing heeft waarschijnlijk een gebrek aan overtuiging of morele moed ten grondslag gelegen en niet een op kennis van zaken gefundeerd oordeel over de betrouwbaarheid van de partij. Wat deze en andere beschouwingen over concrete situaties zo interessant maakt, is dat ze laten zien langs welke (kronkel)wegen Sartre tot zijn definitie van begrippenparen als ‘kwade trouw’ en ‘authenticiteit’, ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ komt, begrippen die in zijn filosofie en zijn opvatting van het engagement van de intellectueel een fundamentele rol gaan spelen.

In Sartre’s dagboeken komen natuurlijk nog tal van andere meer of minder interessante onderwerpen aan bod: zijn lectuur en zijn grote literaire voorbeelden (Gide en Stendhal), de strubbelingen met de roman die hij aan het schrijven is, zijn verhouding met Simone de Beauvoir en de onvermijdelijke verwikkelingen met zijn andere vriendinnen, die hij met enige opluchting in Parijs lijkt te hebben achtergelaten. Dit alles maakt de oorlogsdagboeken veelzijdig en informatief. Hun grootste verdienste is echter dat ze ons er speels en levendig toe weten te verleiden om voor de tijd van enkele uren in de huid te kruipen van een mannetje van krap 1.57 m dat van onder zijn alpinopetje onderzoekend naar een wereld kijkt die zonder zijn geanimeerde en oplettende observaties voor ons onherroepelijk verloren zou zijn.

 Manet van Montfrans, NRC Handelsblad,  17 maart 1995

Twee legendarische Franse uitgevers: Herinneringen van Jean Bruller (dit Vercors) en Maurice Nadeau

Maurice Nadeau: Grâces leur soient rendues, méBruller 51F1JF390-L._SX302_BO1,204,203,200_ moires Nadeau 41xBJP15B6L._SX321_BO1,204,203,200_littéraires. Uitg. Albin Michel, 1990.

A vrai dire, entretiens de Vercors avec Gilles Plazy. Uitg. Francois Bourin, 1990.

Link: Maurice Nadeau en Jean Bruller: Klapwiekend laat ik mijn gekukeleku horen

Citeren:  Manet van Montfrans,  Herinneringen van Jean Bruller en Maurice Nadeau, NRC Handelsblad,  19 juli 1991.

In november 2018 verschijnt Maurice Nadeau,  Soixante ans de journalisme littéraire tome 1 : Les Années « Combat » Auteurs : Maurice Nadeau (tekst) Tiphaine Samoyault (voorwoord), Parijs, Uitg. Maurice Nadeau.   Deel 2 zal gewijd zijn aan de jaren van het tijdschrift Les lettres nouvelles.