Alle berichten van arquus15

Bartleby the Scrivener

EIGENLUK LIEVER NIET- EPILOOG

But the devil himself cannot make him say yes

(Melville, Correspondentie)

EEN MERKWAARDIG VERSCHIJNSEL in de muziek is het bestaan van
de zogenaamde boventonen. Deze boventonen worden niet afzonderlijk
maar als een integrerend bestanddeel van de grondtoon waargenomen
en bepalen er het timbre van. Wie zich van het bestaan van dit
verschijnsel wil vergewissen, kan op een piano een toets geluidloos
neerdrukken zodat de daarbij behorende snaar onbelemmerd is. Correspondeert
de snaar met een van de boventonen van een lager gelegen
toets, dan is het voldoende om de desbetreffende lagere toets aan te
slaan om de onbelemmerde snaar mee te laten trillen. Zodra de klanken
van de aangeslagen toets verstomd zijn, wordt dan een enigszins
onwezenlijke galm hoorbaar. De functie van een epiloog Iaat zich
vergelijken met die van de geluidloos neergedrukte pianotoets en de
daardoor vrijgemaakte snaar. Terwijl de grondtoon wegsterft, ijlt in
een epiloog de boventoon na.
In de voorgaande bijdragen is een aantal begrippen en verschijnselen
in het licht van het voor Europa karakteristiek geachte faustische
perpetuum mobile geplaatst. In deze epiloog hoop ik een boventoon
van dit grondthema te laten resoneren in een figuur die in alles de
ontkenning lijkt van de wereldhongerige Faust. Een figuur die wars is
van expansiedrang en zonder morren zijn leven slijt aan een tafel met
achter zich een kamerscherm en voor zich een raam dat uitzicht biedt
op een blinde muur. Een figuur die niet geplaagd wordt door romantische
scheppingsdrift, maar zich tevreden stelt met het woord voor
woord kopiëren van droge juridische teksten en zelfs die bezigheid
tenslotte staakt omdat hij laten prefereert boven doen. Een figuur die
weet dat degene die ja zegt zijn lot uit handen geeft, en daarom alle
voorstellen die hem gedaan worden, geduldig en zonder stemverheffing,.
afwijst. Niet met een openlijk nee, want dat zou hem als rebel
kwalificeren en hem in een actieve rol dwingen, maar met een beleefde formule die zijn omgeving elke mogelijkheid tot weerwoord ontneemt: ‘I would prefer not to’.

Manet van Montfrans, ‘Eigenlijk liever niet’, De onrust van Europa, fragmenten van cultuur, politiek, recht en economie.  Tom Eijsbouts, W.H.Roobol e.a. (red.) ,  Amsterdam University Press, 1993, 253-261.

Zie Pdf Bartleby -OnrustEuropa (1)

De rue Simon-Crubellier in Amsterdam

De  rue Simon-Crubellier op het Stadionplein

Sinds november 2018 is de rue Simon-Crubellier, het adres van het appartementengebouw in Perecs grote roman, Het leven een gebruiksaanwijzing ,  niet langer een imaginair adres. In november 2018 werd in Amsterdam, op het plein tegenover het voormalig Olympisch stadion, een omgevingskunstwerk onthuld dat door de maker, de Britse kunstenaar Matthew Darbyshire (Cambridge, 1977),  ‘11, rue Simon Crubellier’ werd gedoopt. Het is een drie-kamerappartement zonder muren, de meubilering ervan kwam tot stand door een selectie uit vijftig soorten huishoudelijke voorwerpen, van elke soort waren er vijf opties/items waaruit de bewoners van het plein een keuze mochten maken. Vier van de vijf opties waren afkomstig uit Nederlandse museumcollecties, zoals apparatuur uit het Nemo museum of designmeubilair uit het Stedelijk museum Amsterdam. De definitief gekozen meubels en gebruiksvoorwerpen werden enigszins cartoonesk uitvergroot en vervaardigd uit zwart brons en grijs beton. Darbyshire zegt zich bij zijn werkwijze te hebben laten inspireren door de contraintes en de vormaspecten van Het leven een gebruiksaanwijzing.

Het kunstwerk is bedoeld als ontmoetingsplek voor de buurtbewoners in de openbare ruimte maar heeft ook een kritische teneur. Het interieur weerspiegelt de wijk: de algemene smaak, de sociaaleconomische samenstelling, leeftijdsopbouw, ras en geloof.

Zie ook https://marionalgra.wordpress.com/

Een man die slaapt

een man die slaapt 9200000102208312Heruitgave van Georges Perec: Een man die slaapt. Vertaling Rokus Hofstede. De Arbeiderspers, 2018.

 La vie mode d’emploi (1978), het magnum opus van Georges Perec (1936-1982), dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen en terecht door publiek en kritiek bejubeld werd, beschrijft in 99 hoofdstukken de bewoners en de inboedel van 100 vertrekken in een negentiende-eeuws Parijs appartementengebouw. Hoofdstuk 52 gaat over een van de voormalige huurders van het dienstbodenkamertje helemaal rechts boven in het pand. Deze huurder, Grégoire Simpson, wordt beschreven als een wat eigenaardige jongeman, die van de ene dag op de andere zijn studie geschiedenis opgeeft, zich afsluit voor de buitenwereld, en zich, rokend of sluimerend op zijn bed, wijdt aan oefeningen in onverschilligheid en onthechting. Op een dag verdwijnt hij spoorloos.

Het postscriptum van La vie mode d’emploi bevat een alfabetische lijst met de namen van de dertig auteurs wier werk Perec ‘in soms licht gewijzigde vorm’ in zijn roman geciteerd heeft. Op die lijst vermeldt Perec niet alleen zijn lievelingsschrijvers zoals Flaubert, Kafka en Melville, maar ook zichzelf. Een vergelijking van hoofdstuk L11 van La vie mode d’emploi met het eveneens in Nederlandse vertaling verschenen Un homme qui dort (1967) leert dat Perec de kunst van het citeren inderdaad met overgave heeft beoefend, ook waar het zijn eigen werk betreft. De figuur van Grégoire Simpson doet niet alleen denken aan Kafka’s Gregor Samsa en Melvilles weigerachtige klerk Bartleby, maar lijkt ook nog eens als twee druppels water op de naamloze hoofdpersoon die Perec al eerder, in die beklemmende en raadselachtige roman van 1967, ten tonele had gevoerd en gehuisvest had in een identiek zolderkamertje.

Perec ontleende de titel van Un homme qui dort aan de beroemde openingspassage van Prousts A la recherche du temps perdu: ‘Iemand die slaapt spant in een cirkel de draad der uren om zich heen, de orde der jaren en werelden’. Wie daar echter uit zou afleiden dat bij Perec, net zoals bij Proust, de slaap in zijn verschillende verschijningsvormen fungeert als springplank voor het geheugen, komt bedrogen uit. In Un homme qui dort is de slaap nooit meer dan een korte, onrustige sluimer en zwijgt het geheugen.

Perecs ‘slaper’ staat, net zoals zijn latere replica Grégoire Simpson, ronduit afwijzend tegenover de wereld. Om een toestand van volkomen onverschilligheid, van volledige apathie te kunnen verwezenlijken, balanceert hij als een koorddanser op de grens tussen buiten- en binnenwereld. Hij beperkt zijn gedachtenleven tot de registratie van zijn zintuiglijke gewaarwordingen, en onthoudt zich van van elke vorm van interpretatie of beoordeling, van elke herinnering en elke associatie. Slapen of liever gezegd inslapen is een van de bewustzijnstoestanden die zich daar het best toe lenen. De beelden die zich tijdens de overgangsperiode tussen waken en slapen, aan de slaper opdringen en die voortkomen uit een combinatie van de vage zintuiglijke gewaarwordingen van de wereld om hem heen en de impulsen uit zijn hersens, drijven als losse wrakstukken op de stroom van zijn bewustzijn. Op het moment dat de slaap dieper wordt en de hoofdpersoon dreigt af te glijden naar het domein van de meer coherente dromen en de herinneringen, schrikt hij doorgaans wakker. Het eerste deel van het boek, dat is opgebouwd uit elkaar afwisselende waak- en slaapscènes, eindigt niettemin met een nachtmerrie, die de ommekeer van het verhaal bewerkstelligt. De onverschilligheid slaat om in een panisch gevoel van verlatenheid, en in het tweede deel wordt beschreven hoe deze reis naar het einde van de nacht uitmondt in een overhaaste terugkeer van de hoofdpersoon naar de wereld van zijn wakkere soortgenoten.

Perecs literaire keuzes zijn altijd radicaal en dwingend. In Un homme qui dort plaatst hij zijn lezer in het bewustzijn van de hoofdpersoon die consequent in de jij-vorm wordt aangesproken. Hoewel de lezer er door dat procédé toe gebracht wordt zich met het personage van de Parijse student te vereenzelvigen en zich onder de invloed van Perecs herhalende, bijna bezwerende stijl door hem laat meevoeren naar het schemergebied van zijn bewustzijn, kan hij alleen maar gissen naar de oorzaak van zijn onverschilligheid en zijn angst. Wel wordt in de loop van het verhaal duidelijk dat het niet functionerende geheugen en de nadrukkelijk afwezige herinneringen een spilfunctie hebben. Pas in het openlijk autobiografische W ou le souvenir d’enfance (1975) de herinneringen aan de kindertijd van een joodse wees in Vichy-Frankrijk, laat Perec het geheugen spreken. In retrospectie wordt dan duidelijk waar hij in Un homme qui dort op zo’n intrigirende wijze omheen draait.

Manet van Montfrans, NRC Handelsblad 3 januari 1997.

Marcel Proust Aujourd’hui no 15: Proust et l’argent

MPA 15 9789004383999Marcel Proust Aujourd’hui no 15:  Proust et l’argent  (Sjef HouppermansManet van MontfransAnnelies Schulte NordholtSabine van Wesemael and Nell de Hullu-van Doeselaar, red.), Leiden, Brill, november 2018

Chez Proust, l’argent est beaucoup plus que l’argent, il devient véhicule de passions, de pulsion, d’excès. Loin de se limiter à la dimension sociologique du roman, il  joue un rôle à d’autres niveaux: esthétique, imaginaire, mais surtout affectif, dans le motif récurrent du don. Dans une série de huit études , le dossier thématique de la revue  Marcel Proust Aujourd’hui no 15 éclaire les diverses facettes de cet imaginaire de l’argent, qui s’infiltre dans les relations humaines ainsi que dans l’art.

Link: https://brill.com/view/serial/MPA

Bulletin Marcel Proust Vereniging 8, 2018

Manet van Montfrans & Wouter van Diepen (red.), Bulletin Marcel Proust Vereniging, no 8.    Amsterdam, De Boekdrukker, 2018.

Binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij een herziene en geannoteerde uitgave van de vertaling door Thérèse Cornips van A la recherche du temps perdu.  Eindelijk zal Prousts roman weer in zijn geheel voor het Nederlandse publiek toegankelijk zijn.

Dit nummer van het Bulletin van de Nederlandse Marcel Proust Vereniging gunt de lezer alvast een blik in het laboratorium van de annotaties en het bronnenonderzoek die hem door het doolhof van verwijzingen naar de historische en culturele achtergrond van de Recherche zullen loodsen. Ook de geheimen van dat andere bijna klassieke struikelblok bij de lectuur van de Recherche,  ‘de lange zin’, worden ontraadseld.

Suggesties voor een zijpad tijdens het lezen van de Recherche bieden de beschouwingen over kunstenaars als Van Dongen en Schlöndorff die Prousts meesterwerk  in hun eigen vormentaal durfden weer te geven zonder daarbij hun inspiratiebron tekort te doen – Van Dongen in zijn kleurige aquarellen, Schlöndorff in zijn verfilming van Un amour de Swann. Of het vraaggesprek met violiste Maria Milstein die samen met haar zuster de pianiste Nathalia Milstein recent enkele composities vertolkten die Proust bij het schrijven over muziek hebben geïnspireerd.

‘Uitgaan van wat je liefhebt’, is niet alleen het adagium van Maria Milstein maar van alle medewerkers aan dit nummer geweest.

Inhoudsopgave

Wouter van Diepen, Manet van Montfrans

Inleiding

 Annelies Schulte Nordholt

Jaarverslag 2017

Charlotte Vrielink

De abstractie overwonnen? Kees van Dongen als illustrator van de Recherche

 Annelies Schulte Nordholt

Volker Schlöndorffs Un amour de Swann opnieuw bekeken

 Ieme van der Poel

Menselijke dierentuinen en Nesselrode-pudding. Kanttekeningen bij de annotatie van de Nederlandse vertaling van A l’ombre des Jeunes Filles en Fleurs

 Sjef Houppermans

Van Zaragoza tot Verdun. De geschriften van Luc Fraisse

 Nell de Hullu-van Doeselaar

De lange zin bij Proust: bekroning of bravoure

 Camiel van Woerkum

Een complexe wereld vraagt om een complexe zin. Een Spitzeriaanse analyse van de Proustiaanse ‘période’

 Wouter van Diepen

Uitgaan van de muziek die je liefhebt. Een gesprek met Maria Milstein

MPV_bulletin_nr8_cover (29-09-2018)

Ballonnen aan het front: Levendig oorlogsdagboek van Jean-Paul Sartre

Jean-Paul Sartre, Carnets de la drôle de guerre, Septembre 1939-Mars 1940. Uitg. Gallimard, 680 blz. Prijs: ƒ75,10

De in 1983 door Gallimard gepubliceerde dagboeken verschenen in vertaling bij De Arbeiderspers in het Privé-domein onder de titel Schemeroorlog (1983).

Van de vijftien oorlogsdagboeken werden er vijf in 1983 gepubliceerd, de Carnets 3, 5, 11, 12 en 14. De rest werd verloren gewaand. De onverwachte vondst van Carnet 1 in 1991 was voor Gallimard aanleiding om tot een nieuwe uitgave over te gaan. In deze nieuwe Carnets de la drôle de guerre zijn behalve de al eerder in 1983 verschenen teksten nu ook de 160 bladzijden van het teruggevonden dagboek opgenomen. De appendix bevat een selectie uit de brieven die Sartre in deze eerste oorlogsperiode aan Simone de Beauvoir schreef, waardoor het de lezer ook duidelijk wordt waarmee hij zich in de periodes van de nog niet teruggevonden dagboeken bezighield.

Hoe verhelderend en noodzakelijk dergelijke overzichtsstudies ook zijn, zij leggen de nadruk op ideeën, instituties en maatschappelijke ontwikkelingen. De denkers die erin besproken worden, blijven noodgedwongen vaak wat schimmige dogmatische figuren. Wie nu met een dergelijk schematisch beeld van Sartre in het achterhoofd de oorlogsdagboeken openslaat, zal tot zijn verrassing een levendig en nieuwsgierig schrijver aantreffen die van mening is dat alle ervaringen, positief of negatief, leerzaam zijn, en die bereid is om alles en iedereen, ook zichzelf, ter discussie te stellen. Een schrijver die bovendien met een aanstekelijk gevoel voor humor en in een zeer gevarieerde vorm verslag doet van de alledaagse werkelijkheid van een bijzondere historische periode.

Alpinopet

Ziet Sartre de oorlog aanvankelijk als een lastige spelbreker die zijn comfortabele bestaan van jong en veelbelovend schrijver wreed vestoort (La Nausée werd in 1938 warm onthaald), al gauw raakt hij geboeid door het vreemde schouwspel in zijn nieuwe omgeving. In kleine anekdotes, korte dialogen en rake beschrijvingen schetst hij de lachwekkende gewichtigdoenerij van zijn superieuren, de fysieke en psychische eigenaardigheden van zijn medesoldaten en de absurditeit van de drôle de guerre, die schemeroorlog die eigenlijk geen oorlog is, dat eindeloze wachten op een vijand die zich enkele kilometers verderop heeft verschanst maar zich niet laat zien. Ook zijn eigen rol vindt hij meer lachwekkend dan heroïsch: hij beschrijft zichzelf als een klein loensend mannetje van krap 1.57m met een alpinopetje, dat als opdracht heeft een aantal malen per dag ballonnen op te laten om ballistische berekeningen te maken, terwijl er maanden lang geen schot wordt gelost. Veel van deze observaties zal Sartre gebruiken in L’âge de raison, de roman waarmee hij op dat moment bezig is.

“In dit dagboek wil ik,” zo schrijft Sartre op 1 oktober 1939, “erachter komen wat oorlog voeren nu eigenlijk inhoudt en wil ik mijzelf in de confrontatie met die oorlog leren kennen.” Sartre wisselt zijn satirische observaties van de wereld om hem heen dan ook af met veel introspectieve beschouwingen. Is hij nu, zoals hij altijd dacht, een pacifist? En als hij dat is, waarom weigert hij dan geen dienst? Wat houdt nu in een oorlogssituatie eigenlijk die vrijheid in waar hij zoveel waarde aan hecht? En draait hij zichzelf met al zijn redeneringen en zogenaamde motivaties geen rad voor ogen?

Het portret dat Sartre van zichzelf in deze dagboeken schetst, is niet gewichtig of zwaarmoedig, maar heeft wel iets heel ongrijpbaars. Hij denkt onophoudelijk na over zijn eigen handelingen en beweegredenen, maar neemt van die reflectie ook steeds weer afstand. Zodra hij een bepaalde gedraging of emotie heeft geanalyseerd of daar een oordeel over heeft uitgesproken, betrekt hij een andere positie van waaruit de hele zaak weer op losse schroeven wordt gezet.

Kronkelwegen

Zo noteert hij bijvoorbeeld op 21 oktober 1939 dat hij wel enige voldoening voelt over de manier waarop de Franse Communistische Partij door het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin in de problemen is geraakt. Hij heeft in het verleden geweigerd om zich bij de communisten aan te sluiten en voelt zich achteraf alsnog in het gelijk gesteld door de omstandigheden. Vervolgens bedenkt hij echter dat deze afloop hem een wel erg handige rechtvaardiging van zijn beslissing van destijds biedt. De acceptatie van die rechtvaardiging zou van ‘kwade trouw’ getuigen, want aan zijn beslissing heeft waarschijnlijk een gebrek aan overtuiging of morele moed ten grondslag gelegen en niet een op kennis van zaken gefundeerd oordeel over de betrouwbaarheid van de partij. Wat deze en andere beschouwingen over concrete situaties zo interessant maakt, is dat ze laten zien langs welke (kronkel)wegen Sartre tot zijn definitie van begrippenparen als ‘kwade trouw’ en ‘authenticiteit’, ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ komt, begrippen die in zijn filosofie en zijn opvatting van het engagement van de intellectueel een fundamentele rol gaan spelen.

In Sartre’s dagboeken komen natuurlijk nog tal van andere meer of minder interessante onderwerpen aan bod: zijn lectuur en zijn grote literaire voorbeelden (Gide en Stendhal), de strubbelingen met de roman die hij aan het schrijven is, zijn verhouding met Simone de Beauvoir en de onvermijdelijke verwikkelingen met zijn andere vriendinnen, die hij met enige opluchting in Parijs lijkt te hebben achtergelaten. Dit alles maakt de oorlogsdagboeken veelzijdig en informatief. Hun grootste verdienste is echter dat ze ons er speels en levendig toe weten te verleiden om voor de tijd van enkele uren in de huid te kruipen van een mannetje van krap 1.57 m dat van onder zijn alpinopetje onderzoekend naar een wereld kijkt die zonder zijn geanimeerde en oplettende observaties voor ons onherroepelijk verloren zou zijn.

 Manet van Montfrans, NRC Handelsblad,  17 maart 1995

Twee legendarische Franse uitgevers: Herinneringen van Jean Bruller (dit Vercors) en Maurice Nadeau

Maurice Nadeau: Grâces leur soient rendues, méBruller 51F1JF390-L._SX302_BO1,204,203,200_ moires Nadeau 41xBJP15B6L._SX321_BO1,204,203,200_littéraires. Uitg. Albin Michel, 1990.

A vrai dire, entretiens de Vercors avec Gilles Plazy. Uitg. Francois Bourin, 1990.

Link: Maurice Nadeau en Jean Bruller: Klapwiekend laat ik mijn gekukeleku horen

Citeren:  Manet van Montfrans,  Herinneringen van Jean Bruller en Maurice Nadeau, NRC Handelsblad,  19 juli 1991.

In november 2018 verschijnt Maurice Nadeau,  Soixante ans de journalisme littéraire tome 1 : Les Années « Combat » Auteurs : Maurice Nadeau (tekst) Tiphaine Samoyault (voorwoord), Parijs, Uitg. Maurice Nadeau.   Deel 2 zal gewijd zijn aan de jaren van het tijdschrift Les lettres nouvelles.

 

Proust in de Lage Landen: Viering van het 45-jarig bestaan van de Marcel Proust Vereniging

Met Proust in Haarlem

Marcel Proust (1871-1922) maakte in zijn leven slechts enkele buitenlandse reizen. In de zomer van 1893 verbleef hij in het mondaine Sankt Moritz en in het voor- en najaar van 1900 bracht hij een maand door in Venetië. In oktober 1898 bezocht hij in Amsterdam de grote Rembrandt-tentoonstelling die ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina was georganiseerd. In oktober 1902 reisde hij via Brugge (tentoonstelling van Vlaamse Primitieven), Antwerpen, Dordrecht en Delft naar Amsterdam.* Vanuit Amsterdam, waar hij in het Hotel de l’Europe logeerde, maakte hij een dagtochtje met een trekschuit naar het schildersdorp Volendam, ging hij naar Den Haag om Het gezicht op Delft van Vermeer te bewonderen en naar Haarlem voor de Frans Hals collectie. In het Louvre had Proust al een grote bewondering opgevat voor Rembrandt, Pieter de Hooch en Ruysdaël. Hij was echter van mening dat een schilderij aan betekenis wint als je het ziet in de omgeving waarin het gemaakt is. Proust bekeek Nederland dan ook ter plekke door de bril van de schilders van de Gouden Eeuw en trad daarbij in de voetsporen van zijn landgenoot Eugène Fromentin (Les Maîtres d’autrefois) en  vele andere Europeanen voor wie een verblijf in Nederland net zulke verplichte kost was als de Italië-reis. Vanaf 1909/1910, toen hij begon te werken aan zijn grote roman A la recherche du temps perdu, sloot Proust zich op in zijn werkkamer annex slaapvertrek aan de boulevard Haussmann, waar hij tot 1919 woonde. De indrukken die hij tijdens zijn reizen had opgedaan werden daar tijdens het schrijfproces ingesponnen in een ingenieus web van motieven en verwijzingen waarin Rembrandt en Vermeer een prominente rol spelen. Ik noem de beroemde scène waarin Proust de schrijver Bergotte laat sterven tijdens een bezoek aan een tentoonstelling van Vermeer in het Jeu de Paume. ‘Zo zou ik heb moeten schrijven’, verzuchtte Bergotte bij het aanschouwen van Het gezicht op Delft, en blies de laatste adem uit.

Maar ook Prousts bezoek aan Haarlem heeft zijn sporen in de Recherche nagelaten. Tijdens een diner bij de hertog en hertogin de Guermantes komt het gesprek op de schilderkunst en laat de verteller zich ontvallen dat hij op zijn reis langs de musea van de Lage landen Haarlem heeft overgeslagen. De hertogin, die haar eigen portret door de schilder Elstir  een gelijkenis vindt vertonen met De regentessen van het gasthuis van Frans Halsreageert hierop verontwaardigd. ‘Wat, u hebt een reis naar Nederland gemaakt en u bent niet in Haarlem geweest? Maar, al had u maar een kwartier de tijd gehad, het is iets buitengewoons om de schilderijen van Frans Hals te hebben gezien. Ik zou willen zeggen – al kreeg je ze maar te zien vanaf een dubbeldekstram zonder te stoppen, stel dat ze buiten waren tentoongesteld, dan zou  je je ogen wagenwijd moeten openzetten’.  Een opmerking die de verteller in staat stelt het snobisme van het aristocratische milieu belachelijk te maken, en tegen te werpen dat bij het bekijken van kunst je oog niet eenvoudig een registrerend apparaat is dat momentopnamen maakt. (De kant Van Guermantes, De Bezige Bij, 2004, 547-548).

Tijdens  haar recente drie lustra volgde de Marcel Proust Vereniging (opgericht in 1972) Proust op zijn tocht door Nederland: na Delft (2007) en Dordrecht (2012),  koos zij voor de viering van haar vijfenveertigjarig bestaan op 27 november 2017 Haarlem.  Bij de rondleiding door het Frans Hals museum bleken de Regentessen van het Gasthuis zich in het restauratieatelier te bevinden, zodat de deelnemers het,  voor zover het deze bron van Proust betrof,  op hun i-phone waren aangewezen.

Frans Hals - De regentessen van het oudemannenhuis (1664)
Frans Hals – De regentessen van het oudemannenhuis (1664)

 

 

 

 

 

 

 

Het recital met liederen van Prousts apollinaire-de-karper-la-carpe-doormantijdgenoten  (Fauré, Saint Saëns, Franck e.a.) ‘Extase of spijt: Tijd die stil staat, of verglijdt’‘door Vera Ramer (sopraan) en Peter van de Kamp (pianist) deed de verschillende speculaties over de inspiratie van la petite phrase de Vinteuil  de revue passeren. Wie zich teveel dreigde te laten meeslepen door melancholie werd door het  ironische karper-lied van Poulenc uit zijn gronderige stemming gehaald. (www.youtube.com/watch?v=bDP56XRlJB8)

*Zie hierover ook Marcel Proust Aujourd’hui no 10 (2011), waarin deze en andere aspecten van Prousts Voyage en Hollande worden belicht door een internationaal gezelschap van Proust-specialisten. Zo bleek bijvoorbeeld uit de studie van de manuscripten dat Amsterdam in de eerste versies van de Recherche nog een idyllische droombestemming was waarin liefde en kunst hand in hand gingen. In de definitieve versie is de droom een nachtmerrie geworden: de ik-figuur maakt in zijn door ziekelijke jaloezie gevoede verbeelding van Amsterdam een oord van verderf, een waar ‘Sodom’, waar zijn geliefde, Albertine, hem ontrouw is geweest of zal worden. Via een omweg wordt Albertine geassocieerd met de Bethsabee van Rembrandt die op het punt staat op de avances van  Koning David in te  gaan en haar echtgenoot te verraden.

Sur Parc sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud

Manet van Montfrans, ‘Jeux de mots, lieux de mémoire. Sur  Parc Sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud’.

In Parc Sauvage (2008), a seemingly simple story by Jacques Roubaud, one of the favourite
games of the two protagonists, who are living under the threat of German raids, is to
communicate secret messages. The arrangement of letters, syllables, or words by which
these messages are summarized at the end of the chapter proves to obey Oulipian rules.
Whereas the reader who is familiar with Roubaud recognizes certain facts of his life, the
text cannot be read as an autobiographical tale of childhood. Comparing Parc Sauvage
with other accounts of the same period reveals that Roubaud devotes himself to a memorial ambulation in which writing his memories of childhood makes them constantly
change shape. This approach reveals how in Roubaud the taste of Oulipian forms or other
formal systems exceeds the scope of playful experimentation.

Manet van Montfrans, ‘Jeux de mots, lieux de mémoire. Sur  Parc Sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud’. In A.E. Schulte Nordholt & P.J. Smith (éds.), Jeu de Mots/ Enjeux littéraires Jeux de mots – enjeux littéraires, de François Rabelais à Richard Millet | Brill/Rodopi, Essais en hommage à Sjef Houppermans,. Leiden: Brill, Faux titre ( 2018), 160-173.

Link: http://www.brill.com/products/book/jeux-de-mots-enjeux-litteraires-de-francois-rabelais-richard-millet

http://www.brill.com/products/book/jeux-de-mots-enjeux-litteraires-de-francois-rabelais-richard-millet