Alle berichten van arquus15

Chevauchées picturales et verbales dans ‘Les Onze’ de Pierre Michon : De Géricault à Lascaux .

Manet van Montfrans (2017). Chevauchées picturales et verbales dans ‘Les Onze’ de Pierre Michon : De Géricault à Lascaux . In S. Jișa, Y. Goga, & S. Freyermuth (Éds.), Des arts visuels à l’écriture romanesque dans l’œuvre de Pierre Michon (Vol. collection “Romanul francez actual”, 2017. , pp. 32-51). [2] Cluj-Napoca: Casa Cărţii de Ştiinţă. [details]

De laatste tocht van Helmut Kohl

De  laatste tocht van de Duitse Europeaan Helmut Kohl (1930-2017)

Na een plechtige ceremonie in het Europees parlement, waarin een aantal wereldleiders op 1 juli 2017 afscheid nam van de op 16 juni overleden oud- bondskanselier Helmut Kohl, werden diens stoffelijke resten per helikopter naar Ludwigshafen teruggevlogen, om vandaar per boot over de Rijn naar de stad Speyer gebracht te worden. Daar vond de begrafenis in besloten kring plaats.

Kohl was in 1990 een belangrijk acteur bij de bewerkstelliging van de Duitse eenwording; hij was ook een vurig voorstander van een Verenigd Europa. De tocht over de Rijn, eeuwenlang een twistappel tussen Duitsland en Frankrijk  – de Rijn werd lang door Duitsland beschouwd als een Duitse rivier, door Frankrijk als een ‘natuurlijke en historische’ grens – , was uiteraard niet gespeend van symboliek. Na twee wereldoorlogen was de verhouding tussen Frankrijk en Duitsland allerminst hartelijk. Onder leiding van het tweemanschap Mitterrand en Kohl, in dat opzicht waardige opvolgers van De Gaulle en Adenauer,  kwam de Frans-Duitse samenwerking, ook wel de motor van de Europese eenwording genoemd, echter tot grote bloei. Een van de markante punten in de Frans-Duitse samenwerking was de herdenking door beide staatslieden van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op 24 september 1984  in Verdun.

Om de symboliek van de laatste tocht van de (net als Adenauer) in het Rijnland geboren Kohl te verduidelijken, heb ik een in 1993 gepubliceerd artikel over de rol van de Rijn in de politiek en de literatuur van Duitsland én Frankrijk gedigitaliseerd.

Link: Le Rhin

Om dit artikel te citeren: Manet van Montfrans, ‘Le Rhin, entre littérature et politique’, in Yearbook of European Studies, no 6, Borders and Territories,  Amsterdam/Atlanta: Rodopi, 1993,  124-151.

Perec in de Pléiade

Georges Perec in de Pléiade

In samenwerking met Athenaeum Boekhandel, De Arbeiderspers en de  Stichting van Romanisten aan de Nederlandse Universiteiten

Evenement Spui25, Amsterdam.

1 juni 2017, 20.00-21.30 uur

perec 27636

In 1965 kreeg hij de Prix Renaudot voor zijn debuutroman Les Choses. In 1969 verwekte hij opschudding met een roman van ruim 300 pagina’s, La Disparition, waarin het gebruik van de letter e stelselmatig vermeden was. In 1975 publiceerde hij een semi-autobiografisch relaas over zijn jeugd als joodse wees in Vichy-Frankrijk. In 1978 werd zijn encyclopedische  magnum opus La vie mode d’emploi bekroond met de Prix Médicis. In oktober 1982, zes maanden na zijn voortijdige dood, werd een kleine planeet naar hem vernoemd. In 1994 kreeg hij zijn eigen straat in Parijs (20e). Samen met Calvino, Queneau en Roubaud behoort hij tot de bekendste leden van de Oulipo, een gezelschap van experimentele schrijvers. In de afgelopen vijfendertig jaar breidde zijn publiek zich  spectaculair uit, niet alleen met belletrie-lezers maar ook met architecten en vormgevers.

De komende maand rijst de ster van Georges Perec nog verder, met de publicatie van zijn oeuvre in de Bibliothèque de la Pléiade, het prestigieuze dundruk-pantheon van de Parijse uitgever Gallimard. Zijn status van hedendaags klassiek auteur is hiermee definitief bevestigd. Reden genoeg om Georges Perec (1936-1982) door vier kenners van zijn werk in de schijnwerpers te laten zetten.

Jean-Luc Joly gunt ons een blik op de ontdekkingen en verrassingen die bovenkwamen tijdens het langdurige en veeleisende proces van de bezorging van Perecs oeuvre in de Pléiade. Annelies Schulte Nordholt gaat in op La rue Vilin – vijf korte teksten over de Parijse straat waar Perec zijn vroege kindertijd heeft doorgebracht  –  als voorbeeld van zijn fascinatie met straten en pleinen, die fungeren als herinneringsplaatsen én als werkterrein van zijn streven om de kaders van ons dagelijks leven te doorgronden. Aan de hand van enkele voorbeelden uit La vie mode d’emploi laat Manet van Montfrans zien hoe virtuoos en lichtvoetig Perec het, voor hem met existentiële onzekerheid verbonden, thema van de vervalsing uitwerkt. Rokus Hofstede leest een lievelingspassage voor uit het door hem vertaalde Espèces d’espaces, over de hunkering naar een herbergzame wereld en het wantrouwen jegens gemeenplaatsen.

Voertalen Engels (J.-L. Joly) en Nederlands. Perec zelf zal in bewegend beeld aanwezig zijn. De avond wordt besloten met een pot de l’amitié.

Over de sprekers

Jean-Luc Joly doceert Franse Letterkunde aan de vooropleiding voor  de Ecole Normale Supérieure. Hij is gepromoveerd op een studie over Perec en heeft talrijke artikelen aan zijn werk gewijd. In de reeks Cahiers Georges Perec heeft hij de redactie gevoerd van de nummers 10 en 12 (Perec et l’art contemporain en Espèces d’espaces perecquiens). Hij is voorzitter van de Association Georges Perec en heeft voor de  Pléiade-editie La vie mode d’emploi en Un cabinet d’amateur bezorgd.

Manet van Montfrans is romanist en promoveerde op het werk van Georges Perec. Aan Perec wijdde zij tevens de monografie Georges Perec, een gebruiksaanwijzing (2003). Een keuze uit het essayistisch werk dat zij opbouwde tijdens en na haar docentschap aan de Universiteit van Amsterdam verscheen in haar boek Steltlopen door de tijd. Over geheugen en geschiedenis in de moderne Franse literatuur (2014)

Annelies Schulte Nordholt doceert Franse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zij publiceerde over Maurice Blanchot, Marcel Proust en andere moderne en hedendaagse Franse auteurs. Over de Frans-joodse literatuur van na de oorlog verscheen  Perec, Modiano, Raczymow. La génération d’après et la mémoire de la Shoah (2008). Haar huidige onderzoek gaat over representaties van de stedelijke ruimte in de naoorlogse Franse literatuur, in het bijzonder bij Georges Perec.

Rokus Hofstede is literair vertaler en essayist, en de vaste vertaler van Pierre Michon. Hij ontving in 2005 de Elly Jafféprijs voor Ik ben geboren, een bundel losse teksten van Georges Perec.

Aanmelden:  spui25@uva.nl | T: 020 525 8142.

Proustiaanse ontdekkingsreizigers

15284908_771243143014840_4696310774460525683_n1Manet van Montfrans, ‘Proustiaanse ontdekkingsreizigers: Edward Bizub en Luc Fraisse op zoek naar de bronnen van de Recherche’, Bulletin Marcel Proust Vereniging, nummer 7, Amsterdam, De Boekdrukker, 2016, 59-74.

In de Recherche wijdt Prousts Verteller op strategische plaatsen een aantal bespiegelingen aan het geheugen, bijvoorbeeld aan het begin (De kant van Swann) en aan het slot (De tijd hervonden). De werking van het geheugen biedt tevens de stof voor het verhaal. De rol die Proust toekent aan het ‘onwillekeurige geheugen’ bij het hervinden van het verleden is overbekend. En ook het onderscheid dat hij maakt tussen het ‘maatschappelijke ik’ en het ‘diepe ik’, en tussen de ‘verloren tijd’ en de ‘hervonden tijd’. Maar waar komen de ideeën achter die voor zijn lezers al bijna afgesleten termen vandaan? Zijn ze oorspronkelijk of heeft Proust zich bij de uitwerking ervan laten inspireren door voorgangers en/of tijdgenoten? En als dit laatste het geval is, aan wie is Proust dan schatplichtig en hoe is hij met die schatplichtigheid omgegaan?

Link: www.marcelproust.nl (archief Bulletin nr. 7)

Bewegende beelden van Marcel Proust

Jean-Pierre Sirois-Trahan (Universiteit van Laval, Québec) vond onlangs in de archieven van het Centre National du Cinéma (CNC) filmopnames  van de bruiloft van Elaine Greffuhle met hertog Armand de Guiche, op 14 november 1904. Elaine was de dochter van graaf en gravin  Greffuhle, haar moeder stond model voor de figuur van Oriane de Guermantes in de Recherche. Te midden van de gasten die zich  hebben verzameld in de Madeleine en de trappen aflopen op weg naar het paviljoen waar het huwelijk zal worden gesloten, bevindt zich een man in grijze overjas en met bolhoed. Haastig probeert hij  de volgens het gangbare ceremonieel opgestelde stoet  te passeren.  Het is Marcel Proust. Drieëndertig jaar oud, goed bevriend met de bruidegom maar op het gefilmde moment kennelijk niet bereid om in ‘de pas’ te lopen.[1] Precies negen jaar later, op 14 november 1913, verscheen het eerste deel van de Recherche, waarin Prousts verteller zijn herinnering beschrijft aan zijn eerste ontmoeting met de hertogin de Guermantes tijdens een trouwplechtigheid in de kerk van Combray. Misschien geïnspireerd door de herinnering aan de mondaine gebeurtenis van 1904 en zijn ambivalente gevoelens tegenover de gesloten wereld van de adel van de Faubourg Saint-Germain.

De verteller ziet Mme de Guermantes in zijn herinnering voor zich tijdens de trouwplechtigheid van de dochter van dokter Percepied, in een kapel van de Saint Hilaire kerk, en ‘vooral tijdens de receptie in de sacristie die af en toe door de warme zon van een winderige onweersdag verlicht werd en waar Mme de Guermantes zich temidden van al die mensen van Combray bevond, van wie zij de namen niet eens kende, maar waarvan de inferioriteit te zeer haar eigen voortreffelijkheid aan het licht bracht, dan dat zij geen oprechte welwillendheid voor hen zou voelen en die zij bovendien door beminnelijkheid en eenvoud nog eens te meer hoopte te imponeren.’ (De kant van Swann, Vert. Thérese Cornips, De Bezige Bij, 2004, 229-230)

We kennen Proust van een aantal foto’s. Beroemd is het portret dat Jacques -Emile Blanche van hem schilderde. Maar hem zich te zien bewegen in de beau monde, al is het maar drie seconden, te midden van de adel die hij zo ongenadig en met veel humor in zijn Recherche zal portretteren, brengt hem even heel dichtbij.

[1]´Le pas´: de voorgeschreven orde waarin de adel defileerde.

Sirois-Trahan schreef een artikel over  zijn ontdekking : « Un spectre passa…. Marcel Proust retrouvé », Revue d’études proustiennes, n° 4, 2016 – 2, Proust au temps du cinématographe : un écrivain face aux médias, p. 19-30. https://www.classiques-garnier.com/editions.

Voor het filmpje zie: https://youtu.be/51COHIgjbYU

Calvino en Perec

is[1]L’enchâssement des énigmes : Les villes invisibles d’Italo Calvino dans La Vie mode d’emploi de Georges Perec.

 Au pays des contraintes, l’énigme est reine. La position que les Oulipiens occupent par rapport à la dissimulation ou au dévoilement des contraintes, question fort débattue au sein du groupe, varie d’un auteur à l’autre. Certains propagent l’invisibilité totale des contraintes (Queneau, Mathews). D’autres tels que  Perec et Calvino les énoncent explicitement ou bien se contentent d’en livrer certaines clés.

Si la contrainte est motivée par l’autobiographie comme dans le cas de Perec, l’auteur a tout intérêt à ne pas la révéler. Mais il existe d’autres raisons pour ne pas expliciter les contraintes utilisées. Le texte à contraintes se heurte encore fréquemment de la part des lecteurs à un rejet à priori. Le recours à l’énigme qui naît de la dissimulation ou du dévoilement partiels des contraintes, à l’intérieur ou à l’extérieur des textes, est alors une stratégie permettant à la fois de négocier l’acceptation du texte et de décourager une lecture réductionniste. Le lecteur essaiera de découvrir la grille de lecture adéquate à partir des quelques indices qui lui ont été fournis.

Georges Perec et Italo Calvino ont, dans de nombreux textes, marqué leur communauté d’intérêts et d’approches. Ainsi, Calvino a donné une analyse de La vie mode d’emploi (1984), a consacré la cinquième de ses Leçons américaines, intitulée « Multiplicité», au roman comme encyclopédie, leçon qui se termine sur un retour à Perec, à Queneau et à l’Oulipo. La sixième leçon, restée inachevée par la mort, devait être consacrée à Bartleby. De son côté, Perec ouvre la douzième section d’Espèces d’Espaces par une longue citation de Cosmicomics de Calvino. Calvino figure également parmi les auteurs de la deuxième liste « Citations » du Cahier des Charges.  Dominique Bertelli (1998) a relevé douze impli-citations de Calvino dans La vie mode d’emploi. La proximité de ces deux figures tutélaires de l’Oulipo a été étudiée à plusieurs reprises  et de plusieurs points de vue (Bertelli, Krysinski, Nannicini). Mon article est centré sur les rapports entre Les villes invisibles (1972) et La vie mode d’emploi (1978) : parmi les textes de Calvino que Perec a mis à contribution pour ses impli-citations dans La Vie mode d’emploi, Les villes invisibles occupent en effet une place proéminente.

Si Calvino a été en général moins réticent que Perec à énoncer les contraintes dont il s’est servi, Les villes invisibles (1972) reste un texte mystérieux. La table des matières montre nettement au lecteur qu’il s’agit d’un texte à contrainte (onze séries de ‘types’ de villes qui réapparaissent cinq fois chacune dans le texte). Mais il a fallu attendre le décryptage ingénieux de Carlo Ossola (voir Daros, Italo Calvino, 1994) pour trouver la clé de l’énigme : une forme géométrique cachée, sous-jacente au texte, un parallélogramme décomposé en quatre triangles symétriques et équivalents, incluant cinq villes sur chacun de leurs côtés. Et précisément au cœur de cette figure, au centre du texte, Baucis, la ville invisible : « Celui qui va à Baucis n’arrive pas à la voir ».

 De même que Les villes invisibles, La vie mode d’emploi compte parmi les textes dont les échafaudages n’ont été révélés que (très) partiellement par leur auteur. Et si le Cahier des charges apprend au lecteur quels sont les fragments que Perec a empruntés aux Villes invisibles de Calvino, il ne dit rien sur ce qui a déterminé son choix. Mon analyse porte sur la sélection que Perec a effectuée parmi les onze séries de ‘types’ de villes dans le texte de Calvino. L’étude de la répartition de ces emprunts sur les chapitres de La Vie mode d’emploi, et du contexte dans lequel ils figurent, permet de montrer comment Perec exploite les contraintes qui structurent Les Villes invisibles, en  les imbriquant dans celles qui régissent La Vie mode d’emploi.

PDF Link:  http://hdl.handle.net/11245/1.284144

Pour citer cet article:  Manet van Montfrans, L’enchâssement des énigmes : Les villes invisibles d’Italo Calvino dans La Vie mode d’emploi de Georges Perec .In B. Magné, & C. Reggiani (Eds.), Ecrire l’énigme. (pp. 115-127). Paris: Presses de l’Université de Paris-Sorbonne (PUPS), 2007.

Nationale Wiskunde Dagen 2017

De stellingen van Perec. Wiskunde in de moderne Franse literatuur

(Abstract lezing,  Nationale Wiskundedagen Universiteit Utrecht, Freudenthal Instituut, februari 2017)

Romanschrijvers die zich inlaten met onwrikbare wiskundige structuren? Wiskundigen die zich wagen in het onzekere domein van literaire verzinsels? Ze bestaan. Een inspirerend voorbeeld van kruisbestuiving tussen wiskunde en literatuur is de Oulipo, een in 1960 opgerichte, op mathematische leest geschoeide Franse werkgroep voor experimentele literatuur. De leden van de Oulipo (Ouvroir de Littérature Potentielle/ Werkplaats voor Mogelijke Literatuur), stellen zich ten doel contraintes (strakke vormregels) te ontwerpen met behulp waarvan schrijvers het toeval uit hun werk kunnen bannen. Beperking bevrijdt, is hun stelregel. Beroepsmathematici zoals Claude Berge en Jacques Roubaud  hebben daarvoor materiaal uit verschillende gebieden van de wiskunde aangedragen.

Een van de sterauteurs van de Oulipo, Georges Perec, ontleende de structuur voor zijn meesterwerk, Het leven een gebruiksaanwijzing (La Vie mode d’emploi,1978) onder meer aan een 10X10 Grieks-Latijns vierkant. Inplaats van, zoals zijn mentor en mede-oprichter van de Oulipo Raymond Queneau het uitdrukte, ‘een willekeurig aantal personages als een troep ganzen nonchalant voor zich uit te drijven over een willekeurig aantal bladzijden of hoofdstukken’, vatte Perec honderden personages met hun levensverhalen in het raamwerk van een streng wiskundige patroon. En niet alleen zette hij het Parijse appartementengebouw dat een hoofdrol in zijn roman speelt, in de steigers van een Grieks-Latijns vierkant, maar hij liet de volgorde waarin zijn personages ten tonele komen bepalen door de oplossing van een bekend schaakprobleem. Toch hield Perec zich niet altijd aan zijn eigen contraintes.  Schijnbaar speelse ontregelingen  gunnen de lezer een blik op de donkere bron van zijn schrijverschap.

Bulletin Marcel Proust Vereniging 7, 2016

15284908_771243143014840_4696310774460525683_n1Manet van Montfrans & Wouter van Diepen (red.), Bulletin (7) van de Marcel Proust Vereniging Nederland, Amsterdam, De Boekdrukker, 2016.

Voor Proust had lezen alleen zin als het hem aanzette tot eigen creativiteit.  En misschien is de beste manier om vertrouwd te raken met A la recherche du temps perdu ook wel om dit werk te vertalen of erover te schrijven. Aan studies over Proust ontbreekt het niet, maar toch daagt zijn werk telkens weer uit tot zelf nadenken en formuleren.

De medewerkers aan dit nummer van het Bulletin van de Nederlandse Marcel Proust Vereniging, vertalers én schrijvers, hebben de handschoen opgenomen. Of ze nu persoonlijk of meer beschouwend schrijven, allemaal hebben ze een onderwerp gekozen dat hun ter harte gaat: de Recherche als remedie tegen hopeloze verhoudingen of als voorbode van de relativiteitstheorie, de telefoonscènes als variaties op de mythe van Orpheus en Euridice, de controverse van Proust met Bergson, Chantal Akermans verfilming van de verstikkende jaloezie in De gevangene.

Met de dood van Thérése Cornips is de stem van een van Prousts grote twintigste-eeuwse vertalers verstomd. Zij wordt in dit Bulletin herdacht.

Met bijdragen van Freek Bakker, Amadeu Cuito, Wouter van Diepen, Egbert Dommering, Sjef Houppermans, Nell de Hullu, Janneke van der Meulen, Manet van Montfrans, Jelle Noorman,  Annelies Schulte Nordholt, Sabine van Wesemael.

Link: www.marcelproustvereniging.nl

In de Kast: Poste Restante, een bericht uit 1945

Manet van Montfrans, ‘In de Kast: Poste Restante, een bericht uit 1945. Over Franse literatuur, vervolging en volharding’. In : Vooys, 34 (3), 2016, 58-65. 

Françoise Frenkel, Rien où poser sa tête, Parijs, Gallimard, 2015 [Genève, 1945].

Ned. vertaling Marianne Kaas, Niets om het hoofd op neer te leggen, Atlas/Contact, 2018.

De Passauerstrasse in 1934 met de boekwinkel van Françoise Frenkel
De Passauerstrasse in 1934 met de boekwinkel van Françoise Frenkel

In 1921 begint Françoise Frenkel, een jonge vrouw van Pools-Joodse afkomst die Franse taal en letterkunde heeft gestudeerd aan de Sorbonne, een Franse boekhandel in Berlijn: ‘La Maison du Livre francais’.

Aankondiging lezingencyclus 25 november 2016 : Vormvernieuwing in de moderne Franse literatuur

poesie_calligramme3Spelen met taal: Vormvernieuwingen in de Franse literatuur

Op 25  november 2016 organiseer ik namens de SRNU (Stichting Romanisten aan Nederlandse Universiteiten) en in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam een lezingencyclus over schrijvers die zich in hun werk op het spel met taal en vorm concentreren, van Restif de la Bretonne, Raymond Roussel en Guillaume Apollinaire tot de Oulipianen Raymond Queneau en Jacques Roubaud. Roussel en Apollinaire werden  beiden door de surrealistische avant-garde als voorlopers gezien; de Oulipo, het genootschap voor schrijvers en wiskundigen dat in 1960 door o.a. Queneau werd opgericht, en waarvan Italo Calvino, Georges Perec en Jacques Roubaud prominente vertegenwoordigers zijn, is anno 2016 nog steeds springlevend. Van de experimenten in de spreektaal is het verlan, het zogeheten achterstevoren praten (à l’envers), waarschijnlijk de meest bekende vorm. Maar niet iedereen zal weten dat het verlan al voorkomt in het werk van  de achttiende-eeuwse schrijver Restif de la Bretonne en dat ook oudere inwoners van het oer-Hollandse IJmuiden nog vloeiend ´achterstevoren´ kunnen praten, kijlioem tad tkijl la.

Apollinaire (1880-1918): Als er één vers raadselachtig is qua vorm en inhoud, dan is het wel Apollinaires éénregelige gedicht Chantre. Bij nadere beschouwing blijkt dit monostichon zo rijk aan dubbelzinnigheden, woordspelingen, dubbele bodems en mythologische verwijzingen dat Chantre nog in extremis is toegevoegd aan de drukproeven van de bundel Alcools (1913). De verrassende rijkdom van dit één-versregelige gedicht wordt uiteengezet in een analyse van intratekstuele en intertekstuele verbanden. Het gedicht biedt daarnaast aanknopingspunten voor het begrip van de vernieuwer Apollinaire met zijn latere Calligrammes  (1918).
Drs. Vic van der Toorn, oud-docent Frans en Latijn, Alfrink College te Zoetermeer

Raymond Roussel (1877-1933) heeft veel auteurs beïnvloed met zijn oorspronkelijke manier van schrijven. Een belangrijk deel van zijn werk ontstond door het toepassen van een procedé dat een verhaalwereld opbouwde met als uitgangspunt twee gelijkluidende (homonieme) woorden of zinnen die op verschillende manieren kunnen worden geïnterpreteerd. In de lezing zal worden nagegaan in hoeverre dit formalisme samengaat met Roussels uitspraak dat voor hem ‘de verbeelding alles is’.
dr. Sjef Houppermans, Universiteit Leiden

Jacques Roubaud (1932-)  Parc sauvage (2008), een verhaal over de lotgevallen van twee tijdens WWII ondergedoken kinderen, is een afsplitsing van het omvangrijke autobiografische proza-project (‘prose de mémoire’), ingeluid door ‘Le Grand Incendie de Londres’ (1989). In Parc sauvage hanteert de schrijver een Oulipiaanse contrainte, een zogeheten ‘eodermdrome’. Wat is de oorsprong van deze contrainte, wat voor rol speelt deze in de herinneringen aan een kindertijd in Vichy-Frankrijk, en wat is de verhouding van dit in de derde persoon geschreven verhaal tot de zesdelige autobiografische cyclus?
Mw. dr. Manet van Montfrans, Universiteit van Amsterdam

Restif de la Bretonne (1734 -1806) en de vissers van IJmuiden. In La Découverte australe beschrijft Restif de la Bretonne de taal van de Mégapatons die gekarakteriseerd wordt door het ‘achterstevoren’ praten (Restif wordt Fister). In deze lezing  wordt nader ingegaan op de manier waarop het verlan in onze tijd functioneert. Een vergelijking van het verlan van Megapatonië en IJmuiden zal laten zien dat de achttiende-eeuwse en de eigentijdse variant aan dezelfde contraintes onderworpen zijn.
dr. Haike Jacobs, Universiteit van Nijmegen

Oulipo en het plezier en de noodzaak van (re)creatief schrijven. Nanne Nauta, dichter, oprichter van SAd’E (Salon Artisanal d’Ecriture), een schrijversgroep in navolging van het Franse Oulipo, bedenker van het kruissonnet, de sudaiku en de hyperhaiku, neemt zijn toehoorders mee op een korte reis langs eigen werk en dat van enkele Oulipianen.

De lezingen zijn bedoeld voor docenten in het voortgezet onderwijs, studenten van universiteiten en hogescholen en een ieder die er belangstelling voor heeft, ter informatie en inspiratie. De sprekers zijn allen ervaren docenten aan universiteiten of aan het voortgezet onderwijs.

Universiteitsbibliotheek, Singel  425, Amsterdam220px-Guillaume_Apollinaire_Calligramme[1]
C1.13 (Belle van Zuylenzaal)

Tijd: 10.00-17.30 uur

Zie ook de website: www.romanisten.nl

Meer informatie:  m.a.e.vanmontfrans@uva.nl