Alle berichten van arquus15

Bulletin Marcel Proust Vereniging 8, 2018

Manet van Montfrans & Wouter van Diepen (red.), Bulletin Marcel Proust Vereniging, no 8.    Amsterdam, De Boekdrukker, 2018.

Binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij een herziene en geannoteerde uitgave van de vertaling door Thérèse Cornips van A la recherche du temps perdu.  Eindelijk zal Prousts roman weer in zijn geheel voor het Nederlandse publiek toegankelijk zijn.

Dit nummer van het Bulletin van de Nederlandse Marcel Proust Vereniging gunt de lezer alvast een blik in het laboratorium van de annotaties en het bronnenonderzoek die hem door het doolhof van verwijzingen naar de historische en culturele achtergrond van de Recherche zullen loodsen. Ook de geheimen van dat andere bijna klassieke struikelblok bij de lectuur van de Recherche,  ‘de lange zin’, worden ontraadseld.

Suggesties voor een zijpad tijdens het lezen van de Recherche bieden de beschouwingen over kunstenaars als Van Dongen en Schlöndorff die Prousts meesterwerk  in hun eigen vormentaal durfden weer te geven zonder daarbij hun inspiratiebron tekort te doen – Van Dongen in zijn kleurige aquarellen, Schlöndorff in zijn verfilming van Un amour de Swann. Of het vraaggesprek met violiste Maria Milstein die samen met haar zuster de pianiste Nathalia Milstein recent enkele composities vertolkten die Proust bij het schrijven over muziek hebben geïnspireerd.

‘Uitgaan van wat je liefhebt’, is niet alleen het adagium van Maria Milstein maar van alle medewerkers aan dit nummer geweest.

Inhoudsopgave

Wouter van Diepen, Manet van Montfrans

Inleiding

 Annelies Schulte Nordholt

Jaarverslag 2017

Charlotte Vrielink

De abstractie overwonnen? Kees van Dongen als illustrator van de Recherche

 Annelies Schulte Nordholt

Volker Schlöndorffs Un amour de Swann opnieuw bekeken

 Ieme van der Poel

Menselijke dierentuinen en Nesselrode-pudding. Kanttekeningen bij de annotatie van de Nederlandse vertaling van A l’ombre des Jeunes Filles en Fleurs

 Sjef Houppermans

Van Zaragoza tot Verdun. De geschriften van Luc Fraisse

 Nell de Hullu-van Doeselaar

De lange zin bij Proust: bekroning of bravoure

 Camiel van Woerkum

Een complexe wereld vraagt om een complexe zin. Een Spitzeriaanse analyse van de Proustiaanse ‘période’

 Wouter van Diepen

Uitgaan van de muziek die je liefhebt. Een gesprek met Maria Milstein

MPV_bulletin_nr8_cover (29-09-2018)

Ballonnen aan het front: Levendig oorlogsdagboek van Jean-Paul Sartre

Jean-Paul Sartre, Carnets de la drôle de guerre, Septembre 1939-Mars 1940. Uitg. Gallimard, 680 blz. Prijs: ƒ75,10

De in 1983 door Gallimard gepubliceerde dagboeken verschenen in vertaling bij De Arbeiderspers in het Privé-domein onder de titel Schemeroorlog (1983).

Van de vijftien oorlogsdagboeken werden er vijf in 1983 gepubliceerd, de Carnets 3, 5, 11, 12 en 14. De rest werd verloren gewaand. De onverwachte vondst van Carnet 1 in 1991 was voor Gallimard aanleiding om tot een nieuwe uitgave over te gaan. In deze nieuwe Carnets de la drôle de guerre zijn behalve de al eerder in 1983 verschenen teksten nu ook de 160 bladzijden van het teruggevonden dagboek opgenomen. De appendix bevat een selectie uit de brieven die Sartre in deze eerste oorlogsperiode aan Simone de Beauvoir schreef, waardoor het de lezer ook duidelijk wordt waarmee hij zich in de periodes van de nog niet teruggevonden dagboeken bezighield.

Hoe verhelderend en noodzakelijk dergelijke overzichtsstudies ook zijn, zij leggen de nadruk op ideeën, instituties en maatschappelijke ontwikkelingen. De denkers die erin besproken worden, blijven noodgedwongen vaak wat schimmige dogmatische figuren. Wie nu met een dergelijk schematisch beeld van Sartre in het achterhoofd de oorlogsdagboeken openslaat, zal tot zijn verrassing een levendig en nieuwsgierig schrijver aantreffen die van mening is dat alle ervaringen, positief of negatief, leerzaam zijn, en die bereid is om alles en iedereen, ook zichzelf, ter discussie te stellen. Een schrijver die bovendien met een aanstekelijk gevoel voor humor en in een zeer gevarieerde vorm verslag doet van de alledaagse werkelijkheid van een bijzondere historische periode.

Alpinopet

Ziet Sartre de oorlog aanvankelijk als een lastige spelbreker die zijn comfortabele bestaan van jong en veelbelovend schrijver wreed vestoort (La Nausée werd in 1938 warm onthaald), al gauw raakt hij geboeid door het vreemde schouwspel in zijn nieuwe omgeving. In kleine anekdotes, korte dialogen en rake beschrijvingen schetst hij de lachwekkende gewichtigdoenerij van zijn superieuren, de fysieke en psychische eigenaardigheden van zijn medesoldaten en de absurditeit van de drôle de guerre, die schemeroorlog die eigenlijk geen oorlog is, dat eindeloze wachten op een vijand die zich enkele kilometers verderop heeft verschanst maar zich niet laat zien. Ook zijn eigen rol vindt hij meer lachwekkend dan heroïsch: hij beschrijft zichzelf als een klein loensend mannetje van krap 1.57m met een alpinopetje, dat als opdracht heeft een aantal malen per dag ballonnen op te laten om ballistische berekeningen te maken, terwijl er maanden lang geen schot wordt gelost. Veel van deze observaties zal Sartre gebruiken in L’âge de raison, de roman waarmee hij op dat moment bezig is.

“In dit dagboek wil ik,” zo schrijft Sartre op 1 oktober 1939, “erachter komen wat oorlog voeren nu eigenlijk inhoudt en wil ik mijzelf in de confrontatie met die oorlog leren kennen.” Sartre wisselt zijn satirische observaties van de wereld om hem heen dan ook af met veel introspectieve beschouwingen. Is hij nu, zoals hij altijd dacht, een pacifist? En als hij dat is, waarom weigert hij dan geen dienst? Wat houdt nu in een oorlogssituatie eigenlijk die vrijheid in waar hij zoveel waarde aan hecht? En draait hij zichzelf met al zijn redeneringen en zogenaamde motivaties geen rad voor ogen?

Het portret dat Sartre van zichzelf in deze dagboeken schetst, is niet gewichtig of zwaarmoedig, maar heeft wel iets heel ongrijpbaars. Hij denkt onophoudelijk na over zijn eigen handelingen en beweegredenen, maar neemt van die reflectie ook steeds weer afstand. Zodra hij een bepaalde gedraging of emotie heeft geanalyseerd of daar een oordeel over heeft uitgesproken, betrekt hij een andere positie van waaruit de hele zaak weer op losse schroeven wordt gezet.

Kronkelwegen

Zo noteert hij bijvoorbeeld op 21 oktober 1939 dat hij wel enige voldoening voelt over de manier waarop de Franse Communistische Partij door het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin in de problemen is geraakt. Hij heeft in het verleden geweigerd om zich bij de communisten aan te sluiten en voelt zich achteraf alsnog in het gelijk gesteld door de omstandigheden. Vervolgens bedenkt hij echter dat deze afloop hem een wel erg handige rechtvaardiging van zijn beslissing van destijds biedt. De acceptatie van die rechtvaardiging zou van ‘kwade trouw’ getuigen, want aan zijn beslissing heeft waarschijnlijk een gebrek aan overtuiging of morele moed ten grondslag gelegen en niet een op kennis van zaken gefundeerd oordeel over de betrouwbaarheid van de partij. Wat deze en andere beschouwingen over concrete situaties zo interessant maakt, is dat ze laten zien langs welke (kronkel)wegen Sartre tot zijn definitie van begrippenparen als ‘kwade trouw’ en ‘authenticiteit’, ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ komt, begrippen die in zijn filosofie en zijn opvatting van het engagement van de intellectueel een fundamentele rol gaan spelen.

In Sartre’s dagboeken komen natuurlijk nog tal van andere meer of minder interessante onderwerpen aan bod: zijn lectuur en zijn grote literaire voorbeelden (Gide en Stendhal), de strubbelingen met de roman die hij aan het schrijven is, zijn verhouding met Simone de Beauvoir en de onvermijdelijke verwikkelingen met zijn andere vriendinnen, die hij met enige opluchting in Parijs lijkt te hebben achtergelaten. Dit alles maakt de oorlogsdagboeken veelzijdig en informatief. Hun grootste verdienste is echter dat ze ons er speels en levendig toe weten te verleiden om voor de tijd van enkele uren in de huid te kruipen van een mannetje van krap 1.57 m dat van onder zijn alpinopetje onderzoekend naar een wereld kijkt die zonder zijn geanimeerde en oplettende observaties voor ons onherroepelijk verloren zou zijn.

 Manet van Montfrans, NRC Handelsblad,  17 maart 1995

Twee legendarische Franse uitgevers: Herinneringen van Jean Bruller (dit Vercors) en Maurice Nadeau

Maurice Nadeau: Grâces leur soient rendues, méBruller 51F1JF390-L._SX302_BO1,204,203,200_ moires Nadeau 41xBJP15B6L._SX321_BO1,204,203,200_littéraires. Uitg. Albin Michel, 1990.

A vrai dire, entretiens de Vercors avec Gilles Plazy. Uitg. Francois Bourin, 1990.

Link: Maurice Nadeau en Jean Bruller: Klapwiekend laat ik mijn gekukeleku horen

Citeren:  Manet van Montfrans,  Herinneringen van Jean Bruller en Maurice Nadeau, NRC Handelsblad,  19 juli 1991.

In november 2018 verschijnt Maurice Nadeau,  Soixante ans de journalisme littéraire tome 1 : Les Années « Combat » Auteurs : Maurice Nadeau (tekst) Tiphaine Samoyault (voorwoord), Parijs, Uitg. Maurice Nadeau.   Deel 2 zal gewijd zijn aan de jaren van het tijdschrift Les lettres nouvelles.

 

Proust in de Lage Landen: Viering van het 45-jarig bestaan van de Marcel Proust Vereniging

Met Proust in Haarlem

Marcel Proust (1871-1922) maakte in zijn leven slechts enkele buitenlandse reizen. In de zomer van 1893 verbleef hij in het mondaine Sankt Moritz en in het voor- en najaar van 1900 bracht hij een maand door in Venetië. In oktober 1898 bezocht hij in Amsterdam de grote Rembrandt-tentoonstelling die ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina was georganiseerd. In oktober 1902 reisde hij via Brugge (tentoonstelling van Vlaamse Primitieven), Antwerpen, Dordrecht en Delft naar Amsterdam.* Vanuit Amsterdam, waar hij in het Hotel de l’Europe logeerde, maakte hij een dagtochtje met een trekschuit naar het schildersdorp Volendam, ging hij naar Den Haag om Het gezicht op Delft van Vermeer te bewonderen en naar Haarlem voor de Frans Hals collectie. In het Louvre had Proust al een grote bewondering opgevat voor Rembrandt, Pieter de Hooch en Ruysdaël. Hij was echter van mening dat een schilderij aan betekenis wint als je het ziet in de omgeving waarin het gemaakt is. Proust bekeek Nederland dan ook ter plekke door de bril van de schilders van de Gouden Eeuw en trad daarbij in de voetsporen van zijn landgenoot Eugène Fromentin (Les Maîtres d’autrefois) en  vele andere Europeanen voor wie een verblijf in Nederland net zulke verplichte kost was als de Italië-reis. Vanaf 1909/1910, toen hij begon te werken aan zijn grote roman A la recherche du temps perdu, sloot Proust zich op in zijn werkkamer annex slaapvertrek aan de boulevard Haussmann, waar hij tot 1919 woonde. De indrukken die hij tijdens zijn reizen had opgedaan werden daar tijdens het schrijfproces ingesponnen in een ingenieus web van motieven en verwijzingen waarin Rembrandt en Vermeer een prominente rol spelen. Ik noem de beroemde scène waarin Proust de schrijver Bergotte laat sterven tijdens een bezoek aan een tentoonstelling van Vermeer in het Jeu de Paume. ‘Zo zou ik heb moeten schrijven’, verzuchtte Bergotte bij het aanschouwen van Het gezicht op Delft, en blies de laatste adem uit.

Maar ook Prousts bezoek aan Haarlem heeft zijn sporen in de Recherche nagelaten. Tijdens een diner bij de hertog en hertogin de Guermantes komt het gesprek op de schilderkunst en laat de verteller zich ontvallen dat hij op zijn reis langs de musea van de Lage landen Haarlem heeft overgeslagen. De hertogin, die haar eigen portret door de schilder Elstir  een gelijkenis vindt vertonen met De regentessen van het gasthuis van Frans Halsreageert hierop verontwaardigd. ‘Wat, u hebt een reis naar Nederland gemaakt en u bent niet in Haarlem geweest? Maar, al had u maar een kwartier de tijd gehad, het is iets buitengewoons om de schilderijen van Frans Hals te hebben gezien. Ik zou willen zeggen – al kreeg je ze maar te zien vanaf een dubbeldekstram zonder te stoppen, stel dat ze buiten waren tentoongesteld, dan zou  je je ogen wagenwijd moeten openzetten’.  Een opmerking die de verteller in staat stelt het snobisme van het aristocratische milieu belachelijk te maken, en tegen te werpen dat bij het bekijken van kunst je oog niet eenvoudig een registrerend apparaat is dat momentopnamen maakt. (De kant Van Guermantes, De Bezige Bij, 2004, 547-548).

Tijdens  haar recente drie lustra volgde de Marcel Proust Vereniging (opgericht in 1972) Proust op zijn tocht door Nederland: na Delft (2007) en Dordrecht (2012),  koos zij voor de viering van haar vijfenveertigjarig bestaan op 27 november 2017 Haarlem.  Bij de rondleiding door het Frans Hals museum bleken de Regentessen van het Gasthuis zich in het restauratieatelier te bevinden, zodat de deelnemers het,  voor zover het deze bron van Proust betrof,  op hun i-phone waren aangewezen.

Frans Hals - De regentessen van het oudemannenhuis (1664)
Frans Hals – De regentessen van het oudemannenhuis (1664)

 

 

 

 

 

 

 

Het recital met liederen van Prousts apollinaire-de-karper-la-carpe-doormantijdgenoten  (Fauré, Saint Saëns, Franck e.a.) ‘Extase of spijt: Tijd die stil staat, of verglijdt’‘door Vera Ramer (sopraan) en Peter van de Kamp (pianist) deed de verschillende speculaties over de inspiratie van la petite phrase de Vinteuil  de revue passeren. Wie zich teveel dreigde te laten meeslepen door melancholie werd door het  ironische karper-lied van Poulenc uit zijn gronderige stemming gehaald. (www.youtube.com/watch?v=bDP56XRlJB8)

*Zie hierover ook Marcel Proust Aujourd’hui no 10 (2011), waarin deze en andere aspecten van Prousts Voyage en Hollande worden belicht door een internationaal gezelschap van Proust-specialisten. Zo bleek bijvoorbeeld uit de studie van de manuscripten dat Amsterdam in de eerste versies van de Recherche nog een idyllische droombestemming was waarin liefde en kunst hand in hand gingen. In de definitieve versie is de droom een nachtmerrie geworden: de ik-figuur maakt in zijn door ziekelijke jaloezie gevoede verbeelding van Amsterdam een oord van verderf, een waar ‘Sodom’, waar zijn geliefde, Albertine, hem ontrouw is geweest of zal worden. Via een omweg wordt Albertine geassocieerd met de Bethsabee van Rembrandt die op het punt staat op de avances van  Koning David in te  gaan en haar echtgenoot te verraden.

Sur Parc sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud

Manet van Montfrans, ‘Jeux de mots, lieux de mémoire. Sur  Parc Sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud’.

In Parc Sauvage (2008), a seemingly simple story by Jacques Roubaud, one of the favourite
games of the two protagonists, who are living under the threat of German raids, is to
communicate secret messages. The arrangement of letters, syllables, or words by which
these messages are summarized at the end of the chapter proves to obey Oulipian rules.
Whereas the reader who is familiar with Roubaud recognizes certain facts of his life, the
text cannot be read as an autobiographical tale of childhood. Comparing Parc Sauvage
with other accounts of the same period reveals that Roubaud devotes himself to a memorial ambulation in which writing his memories of childhood makes them constantly
change shape. This approach reveals how in Roubaud the taste of Oulipian forms or other
formal systems exceeds the scope of playful experimentation.

Manet van Montfrans, ‘Jeux de mots, lieux de mémoire. Sur  Parc Sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud’. In A.E. Schulte Nordholt & P.J. Smith (éds.), Jeu de Mots/ Enjeux littéraires Jeux de mots – enjeux littéraires, de François Rabelais à Richard Millet | Brill/Rodopi, Essais en hommage à Sjef Houppermans,. Leiden: Brill, Faux titre ( 2018), 160-173.

Link: http://www.brill.com/products/book/jeux-de-mots-enjeux-litteraires-de-francois-rabelais-richard-millet

http://www.brill.com/products/book/jeux-de-mots-enjeux-litteraires-de-francois-rabelais-richard-millet

 

Chevauchées picturales et verbales dans ‘Les Onze’ de Pierre Michon : De Géricault à Lascaux .

Manet van Montfrans (2017). Chevauchées picturales et verbales dans ‘Les Onze’ de Pierre Michon : De Géricault à Lascaux . In S. Jișa, Y. Goga, & S. Freyermuth (Éds.), Des arts visuels à l’écriture romanesque dans l’œuvre de Pierre Michon (Vol. collection “Romanul francez actual”, 2017. , pp. 32-51). [2] Cluj-Napoca: Casa Cărţii de Ştiinţă. [details]

De laatste tocht van Helmut Kohl

De  laatste tocht van de Duitse Europeaan Helmut Kohl (1930-2017)

Na een plechtige ceremonie in het Europees parlement, waarin een aantal wereldleiders op 1 juli 2017 afscheid nam van de op 16 juni overleden oud- bondskanselier Helmut Kohl, werden diens stoffelijke resten per helikopter naar Ludwigshafen teruggevlogen, om vandaar per boot over de Rijn naar de stad Speyer gebracht te worden. Daar vond de begrafenis in besloten kring plaats.

Kohl was in 1990 een belangrijk acteur bij de bewerkstelliging van de Duitse eenwording; hij was ook een vurig voorstander van een Verenigd Europa. De tocht over de Rijn, eeuwenlang een twistappel tussen Duitsland en Frankrijk  – de Rijn werd lang door Duitsland beschouwd als een Duitse rivier, door Frankrijk als een ‘natuurlijke en historische’ grens – , was uiteraard niet gespeend van symboliek. Na twee wereldoorlogen was de verhouding tussen Frankrijk en Duitsland allerminst hartelijk. Onder leiding van het tweemanschap Mitterrand en Kohl, in dat opzicht waardige opvolgers van De Gaulle en Adenauer,  kwam de Frans-Duitse samenwerking, ook wel de motor van de Europese eenwording genoemd, echter tot grote bloei. Een van de markante punten in de Frans-Duitse samenwerking was de herdenking door beide staatslieden van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op 24 september 1984  in Verdun.

Om de symboliek van de laatste tocht van de (net als Adenauer) in het Rijnland geboren Kohl te verduidelijken, heb ik een in 1993 gepubliceerd artikel over de rol van de Rijn in de politiek en de literatuur van Duitsland én Frankrijk gedigitaliseerd.

Link: Le Rhin

Om dit artikel te citeren: Manet van Montfrans, ‘Le Rhin, entre littérature et politique’, in Yearbook of European Studies, no 6, Borders and Territories,  Amsterdam/Atlanta: Rodopi, 1993,  124-151.

Perec in de Pléiade

Georges Perec in de Pléiade

In samenwerking met Athenaeum Boekhandel, De Arbeiderspers en de  Stichting van Romanisten aan de Nederlandse Universiteiten

Evenement Spui25, Amsterdam.

1 juni 2017, 20.00-21.30 uur

perec 27636

In 1965 kreeg hij de Prix Renaudot voor zijn debuutroman Les Choses. In 1969 verwekte hij opschudding met een roman van ruim 300 pagina’s, La Disparition, waarin het gebruik van de letter e stelselmatig vermeden was. In 1975 publiceerde hij een semi-autobiografisch relaas over zijn jeugd als joodse wees in Vichy-Frankrijk. In 1978 werd zijn encyclopedische  magnum opus La vie mode d’emploi bekroond met de Prix Médicis. In oktober 1982, zes maanden na zijn voortijdige dood, werd een kleine planeet naar hem vernoemd. In 1994 kreeg hij zijn eigen straat in Parijs (20e). Samen met Calvino, Queneau en Roubaud behoort hij tot de bekendste leden van de Oulipo, een gezelschap van experimentele schrijvers. In de afgelopen vijfendertig jaar breidde zijn publiek zich  spectaculair uit, niet alleen met belletrie-lezers maar ook met architecten en vormgevers.

De komende maand rijst de ster van Georges Perec nog verder, met de publicatie van zijn oeuvre in de Bibliothèque de la Pléiade, het prestigieuze dundruk-pantheon van de Parijse uitgever Gallimard. Zijn status van hedendaags klassiek auteur is hiermee definitief bevestigd. Reden genoeg om Georges Perec (1936-1982) door vier kenners van zijn werk in de schijnwerpers te laten zetten.

Jean-Luc Joly gunt ons een blik op de ontdekkingen en verrassingen die bovenkwamen tijdens het langdurige en veeleisende proces van de bezorging van Perecs oeuvre in de Pléiade. Annelies Schulte Nordholt gaat in op La rue Vilin – vijf korte teksten over de Parijse straat waar Perec zijn vroege kindertijd heeft doorgebracht  –  als voorbeeld van zijn fascinatie met straten en pleinen, die fungeren als herinneringsplaatsen én als werkterrein van zijn streven om de kaders van ons dagelijks leven te doorgronden. Aan de hand van enkele voorbeelden uit La vie mode d’emploi laat Manet van Montfrans zien hoe virtuoos en lichtvoetig Perec het, voor hem met existentiële onzekerheid verbonden, thema van de vervalsing uitwerkt. Rokus Hofstede leest een lievelingspassage voor uit het door hem vertaalde Espèces d’espaces, over de hunkering naar een herbergzame wereld en het wantrouwen jegens gemeenplaatsen.

Voertalen Engels (J.-L. Joly) en Nederlands. Perec zelf zal in bewegend beeld aanwezig zijn. De avond wordt besloten met een pot de l’amitié.

Over de sprekers

Jean-Luc Joly doceert Franse Letterkunde aan de vooropleiding voor  de Ecole Normale Supérieure. Hij is gepromoveerd op een studie over Perec en heeft talrijke artikelen aan zijn werk gewijd. In de reeks Cahiers Georges Perec heeft hij de redactie gevoerd van de nummers 10 en 12 (Perec et l’art contemporain en Espèces d’espaces perecquiens). Hij is voorzitter van de Association Georges Perec en heeft voor de  Pléiade-editie La vie mode d’emploi en Un cabinet d’amateur bezorgd.

Manet van Montfrans is romanist en promoveerde op het werk van Georges Perec. Aan Perec wijdde zij tevens de monografie Georges Perec, een gebruiksaanwijzing (2003). Een keuze uit het essayistisch werk dat zij opbouwde tijdens en na haar docentschap aan de Universiteit van Amsterdam verscheen in haar boek Steltlopen door de tijd. Over geheugen en geschiedenis in de moderne Franse literatuur (2014)

Annelies Schulte Nordholt doceert Franse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zij publiceerde over Maurice Blanchot, Marcel Proust en andere moderne en hedendaagse Franse auteurs. Over de Frans-joodse literatuur van na de oorlog verscheen  Perec, Modiano, Raczymow. La génération d’après et la mémoire de la Shoah (2008). Haar huidige onderzoek gaat over representaties van de stedelijke ruimte in de naoorlogse Franse literatuur, in het bijzonder bij Georges Perec.

Rokus Hofstede is literair vertaler en essayist, en de vaste vertaler van Pierre Michon. Hij ontving in 2005 de Elly Jafféprijs voor Ik ben geboren, een bundel losse teksten van Georges Perec.

Aanmelden:  spui25@uva.nl | T: 020 525 8142.

Proustiaanse ontdekkingsreizigers

15284908_771243143014840_4696310774460525683_n1Manet van Montfrans, ‘Proustiaanse ontdekkingsreizigers: Edward Bizub en Luc Fraisse op zoek naar de bronnen van de Recherche’, Bulletin Marcel Proust Vereniging, nummer 7, Amsterdam, De Boekdrukker, 2016, 59-74.

In de Recherche wijdt Prousts Verteller op strategische plaatsen een aantal bespiegelingen aan het geheugen, bijvoorbeeld aan het begin (De kant van Swann) en aan het slot (De tijd hervonden). De werking van het geheugen biedt tevens de stof voor het verhaal. De rol die Proust toekent aan het ‘onwillekeurige geheugen’ bij het hervinden van het verleden is overbekend. En ook het onderscheid dat hij maakt tussen het ‘maatschappelijke ik’ en het ‘diepe ik’, en tussen de ‘verloren tijd’ en de ‘hervonden tijd’. Maar waar komen de ideeën achter die voor zijn lezers al bijna afgesleten termen vandaan? Zijn ze oorspronkelijk of heeft Proust zich bij de uitwerking ervan laten inspireren door voorgangers en/of tijdgenoten? En als dit laatste het geval is, aan wie is Proust dan schatplichtig en hoe is hij met die schatplichtigheid omgegaan?

Link: www.marcelproust.nl (archief Bulletin nr. 7)

Bewegende beelden van Marcel Proust

Jean-Pierre Sirois-Trahan (Universiteit van Laval, Québec) vond onlangs in de archieven van het Centre National du Cinéma (CNC) filmopnames  van de bruiloft van Elaine Greffuhle met hertog Armand de Guiche, op 14 november 1904. Elaine was de dochter van graaf en gravin  Greffuhle, haar moeder stond model voor de figuur van Oriane de Guermantes in de Recherche. Te midden van de gasten die zich  hebben verzameld in de Madeleine en de trappen aflopen op weg naar het paviljoen waar het huwelijk zal worden gesloten, bevindt zich een man in grijze overjas en met bolhoed. Haastig probeert hij  de volgens het gangbare ceremonieel opgestelde stoet  te passeren.  Het is Marcel Proust. Drieëndertig jaar oud, goed bevriend met de bruidegom maar op het gefilmde moment kennelijk niet bereid om in ‘de pas’ te lopen.[1] Precies negen jaar later, op 14 november 1913, verscheen het eerste deel van de Recherche, waarin Prousts verteller zijn herinnering beschrijft aan zijn eerste ontmoeting met de hertogin de Guermantes tijdens een trouwplechtigheid in de kerk van Combray. Misschien geïnspireerd door de herinnering aan de mondaine gebeurtenis van 1904 en zijn ambivalente gevoelens tegenover de gesloten wereld van de adel van de Faubourg Saint-Germain.

De verteller ziet Mme de Guermantes in zijn herinnering voor zich tijdens de trouwplechtigheid van de dochter van dokter Percepied, in een kapel van de Saint Hilaire kerk, en ‘vooral tijdens de receptie in de sacristie die af en toe door de warme zon van een winderige onweersdag verlicht werd en waar Mme de Guermantes zich temidden van al die mensen van Combray bevond, van wie zij de namen niet eens kende, maar waarvan de inferioriteit te zeer haar eigen voortreffelijkheid aan het licht bracht, dan dat zij geen oprechte welwillendheid voor hen zou voelen en die zij bovendien door beminnelijkheid en eenvoud nog eens te meer hoopte te imponeren.’ (De kant van Swann, Vert. Thérese Cornips, De Bezige Bij, 2004, 229-230)

We kennen Proust van een aantal foto’s. Beroemd is het portret dat Jacques -Emile Blanche van hem schilderde. Maar hem zich te zien bewegen in de beau monde, al is het maar drie seconden, te midden van de adel die hij zo ongenadig en met veel humor in zijn Recherche zal portretteren, brengt hem even heel dichtbij.

[1]´Le pas´: de voorgeschreven orde waarin de adel defileerde.

Sirois-Trahan schreef een artikel over  zijn ontdekking : « Un spectre passa…. Marcel Proust retrouvé », Revue d’études proustiennes, n° 4, 2016 – 2, Proust au temps du cinématographe : un écrivain face aux médias, p. 19-30. https://www.classiques-garnier.com/editions.

Voor het filmpje zie: https://youtu.be/51COHIgjbYU