Categorie archief: Artikelen

Tussen portret en zelfportret. Marie Darrieussecq over Paula Modersohn-Becker

Hier zijn is heerlijk 

Het Musée d’art moderne van Parijs organiseerde in 2017 een grote overzichtstentoonstelling van het werk van de Duitse schilder Paula Modersohn-Becker (1876-1907). Tot dat moment was zij vrijwel niet bekend in Frankrijk. Slechts een van haar schilderijen was daar in 1978 te zien geweest, op de tentoonstelling Paris-Berlin in het Centre Pompidou. Om aan deze avant-gardistische kunstenares ook in Frankrijk en andere Europese landen de eer te geven die haar door haar vroege dood en misschien ook door de twintigste-eeuwse geschiedenis van Duitsland onthouden was gebleven, schreef Marie Darrieussecq een biografische schets, Être ici est une splendeur, Vie de Paula Modersohn Becker (P.O.L., Parijs 2016). (Vertaling van Mirjam de Veth, Hier zijn is heerlijk. Het leven van kunstschilder Paula Modersohn-Becker, De Arbeiderspers, Amsterdam 2017). Darrieussecq  schaart zich daarmee in een inmiddels talrijke groep schrijvers die hun verbeelding aan het anker van andermans leven leggen.

De titel Hiersein ist herrlich ontleende Darrieussecq  aan de Duineser Elegien van Rainer Maria Rilke, die nauw bevriend was  met Modersohn-Becker.  Een jaar na de onverwachte dood van Becker, op Allerheiligen en Allerzielen 1908, schrijft Rilke voor haar zijn Requiem für eine Freundin. Hij doelt in de hier geciteerde passage op een van Beckers  zelfportretten uit mei 1906:

Want dat begreep je: de volle pracht van vruchten.

[…]

En uiteindelijk zag je jezelf als een vrucht

Ontdeed je van  je kleren, zette jezelf

voor de spiegel neer, ging naar binnen

behalve je blik; die bleef ervóór, groots

en zei niet: dat ben ik; nee: dit is. P1070613

Becker was bezeten van haar kunst maar kon er niet van leven, het verlangen naar een eigen identiteit als kunstenaar, waar Rilke in deze verzen naar verwijst, botste met de financiële afhankelijkheid van haar echtgenoot en leidde tot  haar voortijdige dood in het kraambed.

Manet van Montfrans, Tussen portret en zelfportret. Marie Darrieussecq over Paula Modersohn-Becker, In DNBG/Armada, jaargang 19, nummer 71, februari – maart 2020, 11-13.

PDF ( voor abonnees):  https://www.nederlandseboekengids.com/2020-1-27-januari-2020/

De schrijver en de componist

proust[1]

De schrijver en de componist

Van de correspondentie die Marcel Proust onderhield met de componist en pianist Reynaldo Hahn, kennen wij alleen Prousts kant, de brieven van Hahn zijn zo niet vernietigd dan toch wel tot op heden onvindbaar.[1] Proust maakte zijn vriend deelgenoot van zijn gevoelens, zijn belevenissen in het mondaine leven, zijn opvattingen op het gebied van de kunst, zijn vorderingen bij het schrijven van Jean Santeuil en later de Recherche. Naar de inhoud van Hahns brieven kunnen we echter slechts gissen.

Reynaldo Hahn
Reynaldo Hahn

De verzameling artikelen die in 2018 onder de titel Marcel Proust et Reynaldo Hahn. Une création à quatre mains bij Classiques Garnier verscheen, voorziet gedeeltelijk in deze lacune.[2] De drie auteurs, Philippe Blay en Jean-Christophe Branger, beiden musicoloog, en de Franse Proustspecialist Luc Fraisse, belichten in een dubbelportret de vruchtbare wisselwerking tussen de twee kunstenaars, die na een korte, gepassioneerde liefdesrelatie tussen 1894 en 1896 levenslang een hechte vriendschap onderhielden. Ze plaatsen Hahn in de context van de muziekwereld van de belle époque, en laten zien hoezeer de componist aanwezig is in het werk van Proust en welke rol Proust op zijn beurt speelt in de geschriften van Hahn. Daarvoor putten ze uit Hahns correspondentie met Jules Massenet, zijn leermeester op het conservatorium van Parijs, zijn conservatoriumvriend, de pianist Édouard Risler, en Madeleine en Suzette Lemaire, in wier salon Proust en Hahn elkaar in mei 1894 ontmoetten. Andere bronnen zijn drie latere teksten van Hahn – Du chant (1920), La grande Sarah : souvenirs (1930), Notes : Journal d’un musicien (1933) – en de documenten die zijn erfgenamen ter inzage hebben gegeven. En uiteraard ook het oeuvre van Proust. Toen hij in 1896 werkte aan Jean Santeuil, schreef Proust aan Hahn: ‘Ik wil dat je er altijd in aanwezig bent, maar dan als een god in vermomming die door geen sterveling herkend wordt’ (Corr. t. II, 52). En zo zal Hahn ook in de Recherche figureren, onzichtbaar maar ondanks de subtiliteit van de toespelingen herkenbaar. Zeker na de lectuur van de grondig gedocumenteerde bijdragen in deze fraai uitgegeven beschouwingen. Voor de hele bespreking, zie marcelproust.nl/dutch/Publicaties/Publ_Bulletin.html

[1] Marcel Proust, Lettres à Reynaldo Hahn, Édition de Philippe Kolb,  Préface Emmanuel Berl, Parijs, Gallimard, coll. Blanche, 1956. Opgenomen in Marcel Proust, Correspondance, éd. Philippe Kolb, Paris, Plon, 1970-1993.

[2] Marcel Proust et Reynaldo Hahn. Une création à quatre mains. Par Philippe Blay, Jean-Christophe Branger et Luc Fraisse. Paris, Classiques Garnier, « Bibliothèque proustienne no 21 », 2018, 229 p.

Dogvilles: Jean Rolin sur les traces des chiens errants

Jean Rolin: Un chien mort après lui

Une première étude de La Clôture de Jean Rolin m’avait conduite à m’introduire avec le romancier dans les zones blanches situées entre le périphérique et le boulevard Ney à Paris, à la recherche des non-lieux de la « surmodernité » définis par Augé. Dans le présent article, je poursuis mes investigations en compagnie du même auteur qui, dans un texte entre reportage et récit de voyage intitulé Un chien mort après lui (2009), emmène le lecteur dans les endroits les plus déshérités de la planète où sévissent les conséquences de guerres, d’épidémies et de pauvreté endémique. Au milieu de la désolation, aux côtés d’hommes privés du strict nécessaire, vivent d’agressifs chiens « féraux », animaux domestiqués autrefois et retournés à la vie sauvage. J’analyse le motif allégorique du chien errant que Jean Rolin exploite et situe dans l’inhabitable pour mieux mettre en évidence les « dégâts causés par la folie des hommes ». Cependant, cette déshumanisation est relativisée par une mise en perspective diachronique des catastrophes et surtout, perd de sa virulence en laissant un espace à une réhumanisation qui s’opère à travers le style sobre de l’écrivain et son empathie pour les êtres.

Manet van Montfrans, Dogvilles: Jean Rolin sur les traces des chiens errants. In S. Freyermuth, J.-F.P. Bonnot & T. Obergöker (Eds.),  — Ville infectée, ville déshumanisée: reconstructions littéraires françaises et francophones des espaces sociopolitiques, historiques et scientifiques de l’extrême contemporain —  Comparatisme et société, 29, (pp. 139-152). Bruxelles: PIE Peter Lang, 2014. 

rolin 2014 S36BW-215033014280.

Pacifism and the European Idea: War and Inner Conflict in the Work of Leon Werth

Pacifism and the European Idea: War and Inner Conflict in the Work of Leon Werth

Since the mid~1980s, interest in the First World War – in historiography, literature and film – has grown considerably in Western Europe. It has been sparked by a number of factors, including on the one hand German unification, the disintegration of the Soviet Union and the final demise of communism, and on the other the striking symmetry between the violent events that marked the beginning and end of the twentieth century. Sarajevo 1914 – Kosovo 1999: the circle would seem to be complete. In France the international developments caused by the changes in the Eastern bloc coincided with a crisis of an entirely different nature. Over the 1970s and 1980s the French saw the cultural and social edifice that had been built up during the Third Republic collapse like a house of cards. The agricultural reforms of the 1950s and 1960s and the migration of rural youth to the cities led to further depopulation of the countryside. Concepts such as la France profonde, la douce France and la France éternelle suddenly seemed robbed of their content. Concerned, the French began to look back with nostalgia and anxiety on a past that most adults could remember from their childhood, but that was now rapidly disappearing.

In the field of literature this past is examined by postwar authors such as Pierre Bergounioux (b. 1949) and Jean Rouaud (b. 1952, Prix Goncourt 1990). In their novels they look at their families’ history, and in doing so chart the breakdown of the rural and provincial society of la France profonde. Both see this breakdown as having begun with the First World Warl. Their work ties in with a thematic tendency in the historiography of the First World War, which was reinforced by the establishment of the Centre de recherche de l’historial de la Grande Guerre de Peronne in 1989. The centre unites historians studying the cultural aspects of the armed conflict during and after the 1914-18 period. Their approach focuses on the experience of violence on a mass scale, the arguments used to justify this violence and the consequences of the mourning into which the European countries were plunged by the First World War. Other indications of the ‘topicality’ of la Grande Guerre are films such as La Vie et rien d’autre (1988) and Capitaine Conan (1995) by Bertrand Tavernier,  the publication of war diaries and other ego-documents and the rediscovery of forgotten authors. In 1997, a carefully annotated edition of the notes and letters written during the First World War by one of the founders of the Annales, Marc Bloch, was published under the title Faits de guerre. The anniversary year of 1998 saw the publication of Paroles de Poilus. Lettres et camets du front (1914-1918), a collection of letters and diaries (Gueno and Laplume 1998). The edition of 300,000 copies equalled the success booked by Henri Barbusse with Le Feu, journal d’une escouade (Prix Goncourt 1916). in the 1990s, the obscure work of the writer and journalist Leon Werth (1878-1955) was largely republished by Viviane Hamy, a small Parisian publishing firm. It received enthusiastic reviews in the dailies and weeklies. In his overview of the intellectual and literary response to the catastrophe of the First World War, John Cruickshank typified the autobiographical Clavel soldat (1919), based on Werth’s experiences in the trenches, as ‘the most unswervingly pacifist novel written under the immediate pressure of the events’ (Cruickshank 1982, 104). Cruickshank regarded the anti-war message of this novel as much more uncompromising than that of Barbusse’s Le Feu, widely regarded as the bible of pacifist authors between the wars or also, less kindly, as ‘the breviary of defeatism’ (Rieuneau 1974, 77). If we define pacifism very generally as the belief that all wars are wrong and that conflicts should be soived by negotiation, then this belief may be considered as one of the enduring, albeit frail, legacies of the First World War and as a cornerstone of the European idea ever since. In this chapter, the writings of Leon Werth are considered in terms of a window on his time and are drawn upon to illustrate some of the intricacies of pacifism during and after the First World War.

Link: 22605_on_Werth_Montfrans_2002

Citation for published version (APA): van Montfrans, M. (2002). ‘Pacifism and the European Idea: War and Inner Conflict in the Work of Léon Werth’. In M. Spiering, & M. Wintle (editors), Ideas of Europe since 1914, The legacy of the First World War . Basingstoke/New York: Palgrave Mac Millan, (p.160-177).

Bartleby the Scrivener

EIGENLUK LIEVER NIET- EPILOOG

But the devil himself cannot make him say yes

(Melville, Correspondentie)

EEN MERKWAARDIG VERSCHIJNSEL in de muziek is het bestaan van
de zogenaamde boventonen. Deze boventonen worden niet afzonderlijk
maar als een integrerend bestanddeel van de grondtoon waargenomen
en bepalen er het timbre van. Wie zich van het bestaan van dit
verschijnsel wil vergewissen, kan op een piano een toets geluidloos
neerdrukken zodat de daarbij behorende snaar onbelemmerd is. Correspondeert
de snaar met een van de boventonen van een lager gelegen
toets, dan is het voldoende om de desbetreffende lagere toets aan te
slaan om de onbelemmerde snaar mee te laten trillen. Zodra de klanken
van de aangeslagen toets verstomd zijn, wordt dan een enigszins
onwezenlijke galm hoorbaar. De functie van een epiloog Iaat zich
vergelijken met die van de geluidloos neergedrukte pianotoets en de
daardoor vrijgemaakte snaar. Terwijl de grondtoon wegsterft, ijlt in
een epiloog de boventoon na.
In de voorgaande bijdragen is een aantal begrippen en verschijnselen
in het licht van het voor Europa karakteristiek geachte faustische
perpetuum mobile geplaatst. In deze epiloog hoop ik een boventoon
van dit grondthema te laten resoneren in een figuur die in alles de
ontkenning lijkt van de wereldhongerige Faust. Een figuur die wars is
van expansiedrang en zonder morren zijn leven slijt aan een tafel met
achter zich een kamerscherm en voor zich een raam dat uitzicht biedt
op een blinde muur. Een figuur die niet geplaagd wordt door romantische
scheppingsdrift, maar zich tevreden stelt met het woord voor
woord kopiëren van droge juridische teksten en zelfs die bezigheid
tenslotte staakt omdat hij laten prefereert boven doen. Een figuur die
weet dat degene die ja zegt zijn lot uit handen geeft, en daarom alle
voorstellen die hem gedaan worden, geduldig en zonder stemverheffing,.
afwijst. Niet met een openlijk nee, want dat zou hem als rebel
kwalificeren en hem in een actieve rol dwingen, maar met een beleefde formule die zijn omgeving elke mogelijkheid tot weerwoord ontneemt: ‘I would prefer not to’.

Manet van Montfrans, ‘Eigenlijk liever niet’, De onrust van Europa, fragmenten van cultuur, politiek, recht en economie.  Tom Eijsbouts, W.H.Roobol e.a. (red.) ,  Amsterdam University Press, 1993, 253-261.

Zie Pdf Bartleby -OnrustEuropa (1)

Sur Parc sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud

Manet van Montfrans, ‘Jeux de mots, lieux de mémoire. Sur  Parc Sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud’.

In Parc Sauvage (2008), a seemingly simple story by Jacques Roubaud, one of the favourite
games of the two protagonists, who are living under the threat of German raids, is to
communicate secret messages. The arrangement of letters, syllables, or words by which
these messages are summarized at the end of the chapter proves to obey Oulipian rules.
Whereas the reader who is familiar with Roubaud recognizes certain facts of his life, the
text cannot be read as an autobiographical tale of childhood. Comparing Parc Sauvage
with other accounts of the same period reveals that Roubaud devotes himself to a memorial ambulation in which writing his memories of childhood makes them constantly
change shape. This approach reveals how in Roubaud the taste of Oulipian forms or other
formal systems exceeds the scope of playful experimentation.

Manet van Montfrans, ‘Jeux de mots, lieux de mémoire. Sur  Parc Sauvage et autres récits brefs de Jacques Roubaud’. In A.E. Schulte Nordholt & P.J. Smith (éds.), Jeu de Mots/ Enjeux littéraires Jeux de mots – enjeux littéraires, de François Rabelais à Richard Millet | Brill/Rodopi, Essais en hommage à Sjef Houppermans,. Leiden: Brill, Faux titre ( 2018), 160-173.

Link: http://www.brill.com/products/book/jeux-de-mots-enjeux-litteraires-de-francois-rabelais-richard-millet

http://www.brill.com/products/book/jeux-de-mots-enjeux-litteraires-de-francois-rabelais-richard-millet

 

Chevauchées picturales et verbales dans ‘Les Onze’ de Pierre Michon : De Géricault à Lascaux .

Manet van Montfrans (2017). Chevauchées picturales et verbales dans ‘Les Onze’ de Pierre Michon : De Géricault à Lascaux . In S. Jișa, Y. Goga, & S. Freyermuth (Éds.), Des arts visuels à l’écriture romanesque dans l’œuvre de Pierre Michon (Vol. collection “Romanul francez actual”, 2017. , pp. 32-51). [2] Cluj-Napoca: Casa Cărţii de Ştiinţă. [details]

De laatste tocht van Helmut Kohl

De  laatste tocht van de Duitse Europeaan Helmut Kohl (1930-2017)

Na een plechtige ceremonie in het Europees parlement, waarin een aantal wereldleiders op 1 juli 2017 afscheid nam van de op 16 juni overleden oud- bondskanselier Helmut Kohl, werden diens stoffelijke resten per helikopter naar Ludwigshafen teruggevlogen, om vandaar per boot over de Rijn naar de stad Speyer gebracht te worden. Daar vond de begrafenis in besloten kring plaats.

Kohl was in 1990 een belangrijk acteur bij de bewerkstelliging van de Duitse eenwording; hij was ook een vurig voorstander van een Verenigd Europa. De tocht over de Rijn, eeuwenlang een twistappel tussen Duitsland en Frankrijk  – de Rijn werd lang door Duitsland beschouwd als een Duitse rivier, door Frankrijk als een ‘natuurlijke en historische’ grens – , was uiteraard niet gespeend van symboliek. Na twee wereldoorlogen was de verhouding tussen Frankrijk en Duitsland allerminst hartelijk. Onder leiding van het tweemanschap Mitterrand en Kohl, in dat opzicht waardige opvolgers van De Gaulle en Adenauer,  kwam de Frans-Duitse samenwerking, ook wel de motor van de Europese eenwording genoemd, echter tot grote bloei. Een van de markante punten in de Frans-Duitse samenwerking was de herdenking door beide staatslieden van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op 24 september 1984  in Verdun.

Om de symboliek van de laatste tocht van de (net als Adenauer) in het Rijnland geboren Kohl te verduidelijken, heb ik een in 1993 gepubliceerd artikel over de rol van de Rijn in de politiek en de literatuur van Duitsland én Frankrijk gedigitaliseerd.

Link: Le Rhin

Om dit artikel te citeren: Manet van Montfrans, ‘Le Rhin, entre littérature et politique’, in Yearbook of European Studies, no 6, Borders and Territories,  Amsterdam/Atlanta: Rodopi, 1993,  124-151.

Calvino en Perec

is[1]L’enchâssement des énigmes : Les villes invisibles d’Italo Calvino dans La Vie mode d’emploi de Georges Perec.

 Au pays des contraintes, l’énigme est reine. La position que les Oulipiens occupent par rapport à la dissimulation ou au dévoilement des contraintes, question fort débattue au sein du groupe, varie d’un auteur à l’autre. Certains propagent l’invisibilité totale des contraintes (Queneau, Mathews). D’autres tels que  Perec et Calvino les énoncent explicitement ou bien se contentent d’en livrer certaines clés.

Si la contrainte est motivée par l’autobiographie comme dans le cas de Perec, l’auteur a tout intérêt à ne pas la révéler. Mais il existe d’autres raisons pour ne pas expliciter les contraintes utilisées. Le texte à contraintes se heurte encore fréquemment de la part des lecteurs à un rejet à priori. Le recours à l’énigme qui naît de la dissimulation ou du dévoilement partiels des contraintes, à l’intérieur ou à l’extérieur des textes, est alors une stratégie permettant à la fois de négocier l’acceptation du texte et de décourager une lecture réductionniste. Le lecteur essaiera de découvrir la grille de lecture adéquate à partir des quelques indices qui lui ont été fournis.

Georges Perec et Italo Calvino ont, dans de nombreux textes, marqué leur communauté d’intérêts et d’approches. Ainsi, Calvino a donné une analyse de La vie mode d’emploi (1984), a consacré la cinquième de ses Leçons américaines, intitulée « Multiplicité», au roman comme encyclopédie, leçon qui se termine sur un retour à Perec, à Queneau et à l’Oulipo. La sixième leçon, restée inachevée par la mort, devait être consacrée à Bartleby. De son côté, Perec ouvre la douzième section d’Espèces d’Espaces par une longue citation de Cosmicomics de Calvino. Calvino figure également parmi les auteurs de la deuxième liste « Citations » du Cahier des Charges.  Dominique Bertelli (1998) a relevé douze impli-citations de Calvino dans La vie mode d’emploi. La proximité de ces deux figures tutélaires de l’Oulipo a été étudiée à plusieurs reprises  et de plusieurs points de vue (Bertelli, Krysinski, Nannicini). Mon article est centré sur les rapports entre Les villes invisibles (1972) et La vie mode d’emploi (1978) : parmi les textes de Calvino que Perec a mis à contribution pour ses impli-citations dans La Vie mode d’emploi, Les villes invisibles occupent en effet une place proéminente.

Si Calvino a été en général moins réticent que Perec à énoncer les contraintes dont il s’est servi, Les villes invisibles (1972) reste un texte mystérieux. La table des matières montre nettement au lecteur qu’il s’agit d’un texte à contrainte (onze séries de ‘types’ de villes qui réapparaissent cinq fois chacune dans le texte). Mais il a fallu attendre le décryptage ingénieux de Carlo Ossola (voir Daros, Italo Calvino, 1994) pour trouver la clé de l’énigme : une forme géométrique cachée, sous-jacente au texte, un parallélogramme décomposé en quatre triangles symétriques et équivalents, incluant cinq villes sur chacun de leurs côtés. Et précisément au cœur de cette figure, au centre du texte, Baucis, la ville invisible : « Celui qui va à Baucis n’arrive pas à la voir ».

 De même que Les villes invisibles, La vie mode d’emploi compte parmi les textes dont les échafaudages n’ont été révélés que (très) partiellement par leur auteur. Et si le Cahier des charges apprend au lecteur quels sont les fragments que Perec a empruntés aux Villes invisibles de Calvino, il ne dit rien sur ce qui a déterminé son choix. Mon analyse porte sur la sélection que Perec a effectuée parmi les onze séries de ‘types’ de villes dans le texte de Calvino. L’étude de la répartition de ces emprunts sur les chapitres de La Vie mode d’emploi, et du contexte dans lequel ils figurent, permet de montrer comment Perec exploite les contraintes qui structurent Les Villes invisibles, en  les imbriquant dans celles qui régissent La Vie mode d’emploi.

PDF Link:  http://hdl.handle.net/11245/1.284144

Pour citer cet article:  Manet van Montfrans, L’enchâssement des énigmes : Les villes invisibles d’Italo Calvino dans La Vie mode d’emploi de Georges Perec .In B. Magné, & C. Reggiani (Eds.), Ecrire l’énigme. (pp. 115-127). Paris: Presses de l’Université de Paris-Sorbonne (PUPS), 2007.