Categorie archief: Blogpagina

Perec in de Pléiade

Georges Perec in de Pléiade

In samenwerking met Athenaeum Boekhandel, De Arbeiderspers en de  Stichting van Romanisten aan de Nederlandse Universiteiten

Evenement Spui25, Amsterdam.

1 juni 2017, 20.00-21.30 uur

perec 27636

In 1965 kreeg hij de Prix Renaudot voor zijn debuutroman Les Choses. In 1969 verwekte hij opschudding met een roman van ruim 300 pagina’s, La Disparition, waarin het gebruik van de letter e stelselmatig vermeden was. In 1975 publiceerde hij een semi-autobiografisch relaas over zijn jeugd als joodse wees in Vichy-Frankrijk. In 1978 werd zijn encyclopedische  magnum opus La vie mode d’emploi bekroond met de Prix Médicis. In oktober 1982, zes maanden na zijn voortijdige dood, werd een kleine planeet naar hem vernoemd. In 1994 kreeg hij zijn eigen straat in Parijs (20e). Samen met Calvino, Queneau en Roubaud behoort hij tot de bekendste leden van de Oulipo, een gezelschap van experimentele schrijvers. In de afgelopen vijfendertig jaar breidde zijn publiek zich  spectaculair uit, niet alleen met belletrie-lezers maar ook met architecten en vormgevers.

De komende maand rijst de ster van Georges Perec nog verder, met de publicatie van zijn oeuvre in de Bibliothèque de la Pléiade, het prestigieuze dundruk-pantheon van de Parijse uitgever Gallimard. Zijn status van hedendaags klassiek auteur is hiermee definitief bevestigd. Reden genoeg om Georges Perec (1936-1982) door vier kenners van zijn werk in de schijnwerpers te laten zetten.

Jean-Luc Joly gunt ons een blik op de ontdekkingen en verrassingen die bovenkwamen tijdens het langdurige en veeleisende proces van de bezorging van Perecs oeuvre in de Pléiade. Annelies Schulte Nordholt gaat in op La rue Vilin – vijf korte teksten over de Parijse straat waar Perec zijn vroege kindertijd heeft doorgebracht  –  als voorbeeld van zijn fascinatie met straten en pleinen, die fungeren als herinneringsplaatsen én als werkterrein van zijn streven om de kaders van ons dagelijks leven te doorgronden. Aan de hand van enkele voorbeelden uit La vie mode d’emploi laat Manet van Montfrans zien hoe virtuoos en lichtvoetig Perec het, voor hem met existentiële onzekerheid verbonden, thema van de vervalsing uitwerkt. Rokus Hofstede leest een lievelingspassage voor uit het door hem vertaalde Espèces d’espaces, over de hunkering naar een herbergzame wereld en het wantrouwen jegens gemeenplaatsen.

Voertalen Engels (J.-L. Joly) en Nederlands. Perec zelf zal in bewegend beeld aanwezig zijn. De avond wordt besloten met een pot de l’amitié.

Over de sprekers

Jean-Luc Joly doceert Franse Letterkunde aan de vooropleiding voor  de Ecole Normale Supérieure. Hij is gepromoveerd op een studie over Perec en heeft talrijke artikelen aan zijn werk gewijd. In de reeks Cahiers Georges Perec heeft hij de redactie gevoerd van de nummers 10 en 12 (Perec et l’art contemporain en Espèces d’espaces perecquiens). Hij is voorzitter van de Association Georges Perec en heeft voor de  Pléiade-editie La vie mode d’emploi en Un cabinet d’amateur bezorgd.

Manet van Montfrans is romanist en promoveerde op het werk van Georges Perec. Aan Perec wijdde zij tevens de monografie Georges Perec, een gebruiksaanwijzing (2003). Een keuze uit het essayistisch werk dat zij opbouwde tijdens en na haar docentschap aan de Universiteit van Amsterdam verscheen in haar boek Steltlopen door de tijd. Over geheugen en geschiedenis in de moderne Franse literatuur (2014)

Annelies Schulte Nordholt doceert Franse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zij publiceerde over Maurice Blanchot, Marcel Proust en andere moderne en hedendaagse Franse auteurs. Over de Frans-joodse literatuur van na de oorlog verscheen  Perec, Modiano, Raczymow. La génération d’après et la mémoire de la Shoah (2008). Haar huidige onderzoek gaat over representaties van de stedelijke ruimte in de naoorlogse Franse literatuur, in het bijzonder bij Georges Perec.

Rokus Hofstede is literair vertaler en essayist, en de vaste vertaler van Pierre Michon. Hij ontving in 2005 de Elly Jafféprijs voor Ik ben geboren, een bundel losse teksten van Georges Perec.

Aanmelden:  spui25@uva.nl | T: 020 525 8142.

Bewegende beelden van Marcel Proust

Jean-Pierre Sirois-Trahan (Universiteit van Laval, Québec) vond onlangs in de archieven van het Centre National du Cinéma (CNC) filmopnames  van de bruiloft van Elaine Greffuhle met hertog Armand de Guiche, op 14 november 1904. Elaine was de dochter van graaf en gravin  Greffuhle, haar moeder stond model voor de figuur van Oriane de Guermantes in de Recherche. Te midden van de gasten die zich  hebben verzameld in de Madeleine en de trappen aflopen op weg naar het paviljoen waar het huwelijk zal worden gesloten, bevindt zich een man in grijze overjas en met bolhoed. Haastig probeert hij  de volgens het gangbare ceremonieel opgestelde stoet  te passeren.  Het is Marcel Proust. Drieëndertig jaar oud, goed bevriend met de bruidegom maar op het gefilmde moment kennelijk niet bereid om in ‘de pas’ te lopen.[1] Precies negen jaar later, op 14 november 1913, verscheen het eerste deel van de Recherche, waarin Prousts verteller zijn herinnering beschrijft aan zijn eerste ontmoeting met de hertogin de Guermantes tijdens een trouwplechtigheid in de kerk van Combray. Misschien geïnspireerd door de herinnering aan de mondaine gebeurtenis van 1904 en zijn ambivalente gevoelens tegenover de gesloten wereld van de adel van de Faubourg Saint-Germain.

De verteller ziet Mme de Guermantes in zijn herinnering voor zich tijdens de trouwplechtigheid van de dochter van dokter Percepied, in een kapel van de Saint Hilaire kerk, en ‘vooral tijdens de receptie in de sacristie die af en toe door de warme zon van een winderige onweersdag verlicht werd en waar Mme de Guermantes zich temidden van al die mensen van Combray bevond, van wie zij de namen niet eens kende, maar waarvan de inferioriteit te zeer haar eigen voortreffelijkheid aan het licht bracht, dan dat zij geen oprechte welwillendheid voor hen zou voelen en die zij bovendien door beminnelijkheid en eenvoud nog eens te meer hoopte te imponeren.’ (De kant van Swann, Vert. Thérese Cornips, De Bezige Bij, 2004, 229-230)

We kennen Proust van een aantal foto’s. Beroemd is het portret dat Jacques -Emile Blanche van hem schilderde. Maar hem zich te zien bewegen in de beau monde, al is het maar drie seconden, te midden van de adel die hij zo ongenadig en met veel humor in zijn Recherche zal portretteren, brengt hem even heel dichtbij.

[1]´Le pas´: de voorgeschreven orde waarin de adel defileerde.

Sirois-Trahan schreef een artikel over  zijn ontdekking : « Un spectre passa…. Marcel Proust retrouvé », Revue d’études proustiennes, n° 4, 2016 – 2, Proust au temps du cinématographe : un écrivain face aux médias, p. 19-30. https://www.classiques-garnier.com/editions.

Voor het filmpje zie: https://youtu.be/51COHIgjbYU

Nationale Wiskunde Dagen 2017

De stellingen van Perec. Wiskunde in de moderne Franse literatuur

(Abstract lezing,  Nationale Wiskundedagen Universiteit Utrecht, Freudenthal Instituut, februari 2017)

Romanschrijvers die zich inlaten met onwrikbare wiskundige structuren? Wiskundigen die zich wagen in het onzekere domein van literaire verzinsels? Ze bestaan. Een inspirerend voorbeeld van kruisbestuiving tussen wiskunde en literatuur is de Oulipo, een in 1960 opgerichte, op mathematische leest geschoeide Franse werkgroep voor experimentele literatuur. De leden van de Oulipo (Ouvroir de Littérature Potentielle/ Werkplaats voor Mogelijke Literatuur), stellen zich ten doel contraintes (strakke vormregels) te ontwerpen met behulp waarvan schrijvers het toeval uit hun werk kunnen bannen. Beperking bevrijdt, is hun stelregel. Beroepsmathematici zoals Claude Berge en Jacques Roubaud  hebben daarvoor materiaal uit verschillende gebieden van de wiskunde aangedragen.

Een van de sterauteurs van de Oulipo, Georges Perec, ontleende de structuur voor zijn meesterwerk, Het leven een gebruiksaanwijzing (La Vie mode d’emploi,1978) onder meer aan een 10X10 Grieks-Latijns vierkant. Inplaats van, zoals zijn mentor en mede-oprichter van de Oulipo Raymond Queneau het uitdrukte, ‘een willekeurig aantal personages als een troep ganzen nonchalant voor zich uit te drijven over een willekeurig aantal bladzijden of hoofdstukken’, vatte Perec honderden personages met hun levensverhalen in het raamwerk van een streng wiskundige patroon. En niet alleen zette hij het Parijse appartementengebouw dat een hoofdrol in zijn roman speelt, in de steigers van een Grieks-Latijns vierkant, maar hij liet de volgorde waarin zijn personages ten tonele komen bepalen door de oplossing van een bekend schaakprobleem. Toch hield Perec zich niet altijd aan zijn eigen contraintes.  Schijnbaar speelse ontregelingen  gunnen de lezer een blik op de donkere bron van zijn schrijverschap.

Aankondiging lezingencyclus 25 november 2016 : Vormvernieuwing in de moderne Franse literatuur

poesie_calligramme3Spelen met taal: Vormvernieuwingen in de Franse literatuur

Op 25  november 2016 organiseer ik namens de SRNU (Stichting Romanisten aan Nederlandse Universiteiten) en in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam een lezingencyclus over schrijvers die zich in hun werk op het spel met taal en vorm concentreren, van Restif de la Bretonne, Raymond Roussel en Guillaume Apollinaire tot de Oulipianen Raymond Queneau en Jacques Roubaud. Roussel en Apollinaire werden  beiden door de surrealistische avant-garde als voorlopers gezien; de Oulipo, het genootschap voor schrijvers en wiskundigen dat in 1960 door o.a. Queneau werd opgericht, en waarvan Italo Calvino, Georges Perec en Jacques Roubaud prominente vertegenwoordigers zijn, is anno 2016 nog steeds springlevend. Van de experimenten in de spreektaal is het verlan, het zogeheten achterstevoren praten (à l’envers), waarschijnlijk de meest bekende vorm. Maar niet iedereen zal weten dat het verlan al voorkomt in het werk van  de achttiende-eeuwse schrijver Restif de la Bretonne en dat ook oudere inwoners van het oer-Hollandse IJmuiden nog vloeiend ´achterstevoren´ kunnen praten, kijlioem tad tkijl la.

Apollinaire (1880-1918): Als er één vers raadselachtig is qua vorm en inhoud, dan is het wel Apollinaires éénregelige gedicht Chantre. Bij nadere beschouwing blijkt dit monostichon zo rijk aan dubbelzinnigheden, woordspelingen, dubbele bodems en mythologische verwijzingen dat Chantre nog in extremis is toegevoegd aan de drukproeven van de bundel Alcools (1913). De verrassende rijkdom van dit één-versregelige gedicht wordt uiteengezet in een analyse van intratekstuele en intertekstuele verbanden. Het gedicht biedt daarnaast aanknopingspunten voor het begrip van de vernieuwer Apollinaire met zijn latere Calligrammes  (1918).
Drs. Vic van der Toorn, oud-docent Frans en Latijn, Alfrink College te Zoetermeer

Raymond Roussel (1877-1933) heeft veel auteurs beïnvloed met zijn oorspronkelijke manier van schrijven. Een belangrijk deel van zijn werk ontstond door het toepassen van een procedé dat een verhaalwereld opbouwde met als uitgangspunt twee gelijkluidende (homonieme) woorden of zinnen die op verschillende manieren kunnen worden geïnterpreteerd. In de lezing zal worden nagegaan in hoeverre dit formalisme samengaat met Roussels uitspraak dat voor hem ‘de verbeelding alles is’.
dr. Sjef Houppermans, Universiteit Leiden

Jacques Roubaud (1932-)  Parc sauvage (2008), een verhaal over de lotgevallen van twee tijdens WWII ondergedoken kinderen, is een afsplitsing van het omvangrijke autobiografische proza-project (‘prose de mémoire’), ingeluid door ‘Le Grand Incendie de Londres’ (1989). In Parc sauvage hanteert de schrijver een Oulipiaanse contrainte, een zogeheten ‘eodermdrome’. Wat is de oorsprong van deze contrainte, wat voor rol speelt deze in de herinneringen aan een kindertijd in Vichy-Frankrijk, en wat is de verhouding van dit in de derde persoon geschreven verhaal tot de zesdelige autobiografische cyclus?
Mw. dr. Manet van Montfrans, Universiteit van Amsterdam

Restif de la Bretonne (1734 -1806) en de vissers van IJmuiden. In La Découverte australe beschrijft Restif de la Bretonne de taal van de Mégapatons die gekarakteriseerd wordt door het ‘achterstevoren’ praten (Restif wordt Fister). In deze lezing  wordt nader ingegaan op de manier waarop het verlan in onze tijd functioneert. Een vergelijking van het verlan van Megapatonië en IJmuiden zal laten zien dat de achttiende-eeuwse en de eigentijdse variant aan dezelfde contraintes onderworpen zijn.
dr. Haike Jacobs, Universiteit van Nijmegen

Oulipo en het plezier en de noodzaak van (re)creatief schrijven. Nanne Nauta, dichter, oprichter van SAd’E (Salon Artisanal d’Ecriture), een schrijversgroep in navolging van het Franse Oulipo, bedenker van het kruissonnet, de sudaiku en de hyperhaiku, neemt zijn toehoorders mee op een korte reis langs eigen werk en dat van enkele Oulipianen.

De lezingen zijn bedoeld voor docenten in het voortgezet onderwijs, studenten van universiteiten en hogescholen en een ieder die er belangstelling voor heeft, ter informatie en inspiratie. De sprekers zijn allen ervaren docenten aan universiteiten of aan het voortgezet onderwijs.

Universiteitsbibliotheek, Singel  425, Amsterdam220px-Guillaume_Apollinaire_Calligramme[1]
C1.13 (Belle van Zuylenzaal)

Tijd: 10.00-17.30 uur

Zie ook de website: www.romanisten.nl

Meer informatie:  m.a.e.vanmontfrans@uva.nl

Herinneringscultuur in Roemenië

Sighet, een afgelegen pleisterplaats van het Europese geheugen

Eind mei 2016 was ik in Sighet, voluit Sighetu Marmaţiei, een Roemeens stadje in het Maramures-district,  aan een van de buitengrenzen van Europa. Meer dan een halve eeuw was Sighet van het naburige Oekraïne gescheiden door de rivier de Tisa. De in 1944 opgeblazen brug werd pas in 2007 door een nieuwe vervangen. In het door een schil van verwaarloosde betonnen flats omgeven historische centrum van Sighet bezocht ik drie herdenkingsplaatsen: een voormalige gevangenis, een gedenkteken ter herinnering aan de slachtoffers van de Jodenvervolgingen, en het huis waar de onlangs overleden schrijver Elie Wiesel op 30 september 1928 werd geboren.

In de gevangenis werden tussen 1948 en 1955 de opponenten van het communistische bewind opgesloten, veelal leden van de vooroorlogse politieke elite. In die periode stierven er vierenvijftig van de ruim honderdtachtig gevangenen aan mishandeling en ondervoeding. In 1977 werd de gevangenis gesloten en na de dood van Ceaușescu nam schrijfster Ana Blandiana (1942) samen met haar echtgenoot, de schrijver Romulus Rusan (1935), in 1992 het initiatief om de gevangenis als museum in te richten. De vader van Ana Blandiana, een Georgische priester, had jaren in gevangenschap doorgebracht en stierf kort na zijn vrijlating. Het museum kwam tot stand onder auspiciën van de Raad van Europa. Sinds 2000 fungeert het nu mooi gerestaureerde gebouw als Nationaal Museum, ter nagedachtenis aan de ‘slachtoffers van het communisme en aan het verzet’. Het maakt  deel uit van een Internationaal Centrum voor studies over het communisme waarvan het hoofdkwartier in Boekarest is gevestigd.

De huidige inwoners van Roemenië kunnen er kennis nemen van de ‘ware’ versie van de recente geschiedenis van hun land. Cel voor cel komen de verschillende tegenstanders van het regime van toen aan de orde – intellectuelen, journalisten, orthodoxe en rooms-katholieke geestelijken, militairen, verzetsgroepen uit de Karpaten, en politici die tijdens het interbellum een sleutelpositie bekleedden. Zoals Iuliu Maniu, leider van de Nationale Boerenpartij, eerste minister voor de Tweede Wereldoorlog, verbeten tegenstander van de fascistische Roemeense  regering tijdens de oorlog en ook  van het communistische bewind na de oorlog. Hij overleed  in 1953 in cel nummer 9. Maar ook de Securitate, de Roemeense Geheime Dienst (cel 14), de collectivisering (cel 18) en internationale onderwerpen zoals de Conferentie van Jalta  (cel 12), De Praagse lente en Charta 77 (cel 82),  hebben elk een eigen ruimte.

Namenmuur
Namenmuur
De processie van de martelaren
De processie van de martelaren

Bij binnenkomst kijken de gevangenen de bezoeker aan vanaf een lange wand met foto’s. Op een van de twee binnenplaatsen bevindt zich een muur met de namen van 8000 slachtoffers van het regime.[1] Hun nagedachtenis wordt ook geëerd met ‘de processie van de martelaren’, een bronzen beeldhouwwerk van de Roemeense kunstenaar Aurel Vlad:  een groep naakte figuren, wreed verminkt,  de handen ten hemel geheven, de mond opengesperd in afgrijzen.

Toen ik naar de uitgang zocht, troonde een onvermoeibare suppoost mij nog mee naar de duistere isoleercel waar gevangenen die zich ‘misdragen’ hadden, elk besef van tijd en identiteit verloren, en naar de door kaarsen verlichte crypte, die hun nagedachtenis levend houdt. De Raad van Europa heeft in 1998 het museum samen met het Auschwitz-museum en het Normandische Vredesmuseum aangewezen als de drie Instellingen voor het Europese Geheugen.

Monument ter herinnering aan de weggevoerde Joodse inwoners van Sighet
Monument ter herinnering aan de weggevoerde Joodse inwoners van Sighet

Vlak bij de voormalige gevangenis staat een groot gedenkteken voor de door de nazi´s vermoorde Joodse inwoners van Sighet en omstreken. Op de achtergrond groene heuvels, bij het monument treurwilgen, populieren en sparren. Op het middengedeelte van de sokkel figureert, boven het jaartal 1944, een menora, op een plaquette links de Roemeense tekst, met het aantal Joden, 38.000, dat in het voorjaar van 1944 (mei/juni) uit de Maramures door ´Hitlers fascisten´ werd gedeporteerd naar de concentratiekampen. Uit Sighet alleen al ruim 12.0000 mensen. Ook de bevrijding van die kampen door het ‘roemrijke Russische Leger’ wordt vermeld. Op een plaquette rechts, onder een davidsster en het Engelse ´God bless us´, staat dezelfde tekst in het Jiddisch. De inscriptie op het verticale gedeelte van het monument, eveneens in het Jiddisch, luidt :

tzum eywign andenk/ far di qorbones/ funem akhzarishn fashizm/ in Auschwitz

In vertaling:

Ter eeuwige nagedachtenis/van de slachtoffers/van het wrede fascisme/in Auschwitz

In mei 2014 (zeventig jaar na dato) werd de deportatie van de Sighet-Joden nog met gepaste aandacht herdacht, maar nu was het monument  beklad, het gras niet onderhouden, het hek ervoor op slot.

Roemeense tekst op het Joodse monument
Roemeense tekst op het  monument

De deportaties in Sighet werden uitgevoerd door Hongaren:  sinds 1940  stond Transsylvanië en dus ook Sighet opnieuw onder Hongaars bewind, na een korte periode van hereniging met Roemenië tijdens het interbellum. Al in 1941 werden ruim 20.000 Joden, die niet konden bewijzen dat ze de Hongaarse nationaliteit hadden, naar Galicië gedeporteerd en tijdens massa-executies vermoord. Moshe, de koster van een van de synagoges, die de jonge Wiesel voor de oorlog inwijdde in de beginselen van de joodse mystiek, wist te ontkomen, keerde terug naar Sighet en probeerde zijn geloofsgenoten te overtuigen van de noodzaak om te vluchten. Zij versleten hem voor gek en brachten de oorlog in betrekkelijke rust door totdat de Duitsers in maart 1944 ook Hongarije bezetten. Eind april 1944 bezocht een delegatie van nazi’s, onder wie Adolf Eichmann, Sighet om de situatie in de twee kort daarvoor ingerichte ghetto’s in ogenschouw te nemen. Ruim een maand later voltrok zich onder leiding van de Hongaarse politie in luttele dagen de deportatie van duizenden mensen. ‘Hitlers fascisten’ waren in het geval van Sighet niet alleen nazi’s maar ook Hongaren.

In Sighet werd bij de razzia’s ook Elie Wiesel samen met zijn ouders en drie zusjes opgepakt en gedeporteerd.  Hoe het er in het voorjaar van 1944 in Sighet aan toeging, beschrijft Wiesel in het eerste hoofdstuk van zijn boek Nacht dat hij in het Jiddisch schreef en in 1956 in Argentinië publiceerde. In 1959 verscheen een aanzienlijk ingekorte Franse versie, La Nuit, bij de Parijse uitgeverij Minuit, in 1960 de Engelse vertaling in Groot- Britannie en de Verenigde Staten. Wiesels orthodox joodse familie was van Hongaarse afkomst, de politie-agenten die hen naar het station dreven waren ook Hongaren. Zij scholden zijn kleine zusje uit omdat ze niet vlug genoeg liep. ‘Ik begon hen te haten’, schrijft Wiesel in Nacht, ‘en tot op de dag van vandaag is haat de enige emotie die mij met hen verbindt. Zij waren onze eerste onderdrukkers. De eerste gezichten van de hel en de dood’.

Geboortehuis van Elie Wiesel
Geboortehuis van Elie Wiesel

Wiesel, die in 1986 de Nobelprijs voor de vrede ontving, en zich zijn leven lang beijverd heeft om de herinnering aan deze periode van de geschiedenis levend te houden, leidde een commissie die in 1984 een rapport uitbracht over de betrokkenheid van de Roemeense overheid bij de vervolging van Joden en Roma tijdens de oorlog. Zijn geboortehuis is ook als museum ingericht, met door de kleine naoorlogse joodse gemeenschap van Sighet bijeengebrachte meubels en voorwerpen, en met financiële steun van de Elie Wiesel Foundation for Humanity. In de eetkamer staat een gedekte tafel; zo kan de bezoeker zich anno 2016 een voorstelling maken van een Joodse woning aan de vooravond van de razzia’s in het stralende voorjaar van 1944. Wiesel keerde in 2002 terug naar Sighet om het museum, het Elie Wiesel Memorial House, te openen. In 2014 werd in zijn geboortehuis het eerste Roemeense Holocaust Memorial Centrum geopend.

P1020775
Plaquette binnenplaats geboortehuis van Elie Wiesel

Op de binnenplaats van dit huis bevindt zich eveneens een plaquette waarop een tekst in het Roemeens en het Engels: ‘The Holocaust Memorial in remembrance of the thousands of Jewish victims of the Northern Transsylvania-Maramures region during World War II under Hitlers en Horthy’s regime’. Wat op het eerder opgerichte gedenkteken voor de joodse slachtoffers schuil ging onder de overkoepelende term ‘Hitlers fascisten’, wordt op de uit 2014 daterende plaquette in Wiesels huis niet langer verhuld. Horthy was sinds 1918 staatshoofd van Hongarije. En hoewel hij in oktober 1944 door de nazi’s tot aftreden werd gedwongen, viel de anti-joodse wetgeving en de deportaties van de Hongaarse en Roemeense Joden en Roma, waarvan er trouwens al een aantal in 1941 plaats vond, onder zijn verantwoordelijkheid.[2] Van de tijdens het communisme verplichte saamhorigheid met het buurland was in 2014 kennelijk niet veel meer over, in ieder geval stond deze een openlijke verwijzing niet langer in de weg. De vermelding van het Russische leger, dat op het aparte herdenkingsmonument voor de Joodse slachtoffers zo nadrukkelijk genoemd staat, sneuvelde eveneens. Auschwitz werd bevrijd door de Russen, maar Buchenwald, waar Wiesel uiteindelijk, na een van de beruchte dodenmarsen uit Auschwitz, terechtkwam, door de Britten. Dat zich onder ‘Hitlers fascisten’ ook Roemenen bevonden – zo werd de omvangrijke Joodse bevolking van de nu Oekraïnse stad Czernowicz, die van 1940 tot 1945 Roemeens was,  eveneens gedeporteerd – wordt in Sighet niet expliciet vermeld.

Volgens Ana Blandiana kan men zich het in  Sighet, ‘een kleine stad in vergelijking met Berlijn’, niet veroorloven ‘om verschillende groepen slachtoffers te onderscheiden, om ons geheugen te compartimenteren, en het zou verschrikkelijk zijn om het lijden van onze buren [de Joden] te bagatelliseren om ons eigen lijden te benadrukken, want als gerechtigheid geen herinnering kan worden dan kan alleen de herinnering  gerechtigheid worden’.

Toch leek de staat van het Holocaustgedenkteken, zoals ik het dit voorjaar aantrof, erop te wijzen dat dat gezamenlijk herdenken niet altijd goed lukt. Het verschil met het goed onderhouden Nationaal Museum, dat tegenwoordig ook door onder meer Trip-advisor als bezienswaardigheid wordt aangeraden,  was pijnlijk.  De enig overgebleven negentiende-eeuwse synagoge was mooi gerestaureerd maar eveneens hermetisch gesloten, net zoals het restaurantje met kosjere gerechten. Sighet telt nog slechts enkele tientallen Joodse inwoners en een meervoud daarvan aan mensen die de ellende van het communistische regime aan den lijve hebben ondervonden. Maar los van een dergelijke praktische verklaring blijft de steeds weer opnieuw gestelde vraag: Kunnen verschillende soorten vervolgingen wel samen herdacht worden, en kunnen die verschillende geschiedenissen wel onder één noemer worden gebracht?

[1] Het totale aantal slachtoffers van het communistische bewind is vele malen groter.

[2] De huidige rechtse premier van Hongarije, Victor Orban, is een bewonderaar van Miklos Horthy en heeft in een poging om diens betrokkenheid bij de Holocaust te relativeren, in 2011 de vaste tentoonstelling in het Holocaustmuseum in Boedapest gecensureerd. De  tentoonstelling van het internationaal geprezen museum zou te negatief zijn geweest over de rol van de autoritaire Miklos Horthy.

Literatuur:

Robert D. Kaplan, In Europe’s shadow, Penguin 2016.

Romulus Rusan, ‘Le système répressif communiste en Roumanie’,  Victor Courtois (éd.), Du passé faisons table rase ! Histoire et mémoire du communisme en Europe, Parijs, Laffont, 2002, 369-443.

Elie Wiesel, La Nuit, Parijs, Minuit, 1958 ; Night, Penguin, 1960 ;  Nacht, Amsterdam, Meulenhoff,  2014.

.

Prix Goncourt de la nouvelle voor Marie-Hélène Lafon

Marie-Hélène L18892_lafon_marie_helene14drafon heeft op 9 mei 2016 bij Drouant de Prix Goncourt de la nouvelle ontvangen voor de bundeling van al haar korte verhalen, Histoires, verschenen bij Buchet-Chastel op 8 oktober 2015.

De schrijfster werd in 1962 geboren in Aurillac in de Cantal, als tweede dochter in een boerengezin. Na de middelbare school ging ze in 1980 in Parijs klassieke talen studeren. Nu doceert ze Frans en klassieke talen aan een middelbare school. Haar  keuze voor de zogeheten dode talen is opmerkelijk: haar eigen moedertaal, het occitan, wordt ook bijna niet meer gesproken.  Lafon’s romans en korte verhalen zijn verankerd in de werkelijkheid van een plattelandswereld die al bijna een halve eeuw in een langgerekt stervensproces verkeert. Haar personages zijn uiterst zwijgzaam en komen tot leven in hun gebaren, hun fysieke voorkomen.

In 2001 publiceerde Lafon haar eerste roman, Le soir du chien, waarvoor ze nog in datzelfde jaar de Prix Renaudot des lycéens ontving. Daarna publiceerde ze een tiental romans en bundels korte verhalen, waaronder L’annonce en Les pays. Voor deze laatste  roman ontving ze de Prix du style 2012.  Les pays gaat over de overgang van de onherbergzame, hooggelegen Cantal naar de wereldstad Parijs, de twee plaatsen waartussen de hoofdpersoon Claire zich beweegt. Haar milieu is ze ontgroeid en Parijs wordt voor haar na het aanvankelijke gevoel van ontheemdheid een tweede thuis,  overigens zonder dat haar geboortestreek aan pregnantie inboet.  ‘Ecrire à la lisière’, schrijven op de grens, dat is wat Lafon doet, in mooi sober en heel suggestief  proza. Tot haar grote voorgangers rekent de schrijfster Pierre Bergounioux en Pierre Michon (Vies minuscules, 1984).

Ter illustratie van de stijl van Lafon, de  eerste zinnen van de novelle Roland : 

‘Hier Roland s’est suicidé. Il s’est pendu. Dans l’atelier. Avec ses bottes. Le maire m’a appelé. Il faisait nuit. J’y suis allé. Il était chaud sous les aisselles. Il avait piqué sa chienne d’abord. La maison était en ordre. J’ai senti tout son poids contre moi. Je n’étais jamais entré dans sa chambre. Ses parents avaient été longtemps abonnés à Paris Match. Il avait conservé l’abonnement quelques années après la mort de sa mère. Deux numéros anciens étaient posés sur sa table de nuit. Il n’y avait rien d’autre.’ (Histoires, Buchet Chastel, 2015).

Verwante teksten

  • Pierre Michon, Vies minuscules, Gallimard, 1984
  • Pierre Bergounioux, ‘Quelque chose de bleu au paysage’,  Verdier, 2001
  • Pierre Jourde, Pays perdu, Ed. L’esprit des péninsules, 2003
  • Raymond Depardon, Paysans,  Seuil, Points, 2009

Film: Raymond Depardon, Profils paysans, La vie moderne, Arte éditions, 2008

What Happens Where Nothing Happens

Het afgelopen voorjaar heb ik een schrijfatelier gegegeven op de Design Academy Eindhoven (DAE), in het kader van het project Observing the City voor MA studenten Information Design, met als uitgangspunt een tekst van Georges Perec :  Tentative d’épuisement d’un lieu parisien. Het waren studenten uit alle windstreken, vooral grafisch en visueel georiënteerd, maar het recept van Perec, goed en geduldig kijken en ook het schijnbaar onbeduidende, l’infra-ordinaire,  opschrijven, heeft een aantal opmerkelijke werkstukken opgeleverd.

De opdracht was om tijdens een vaak afgelegde en door de gewoonte al haast onzichtbaar geworden route  in Eindhoven zoveel mogelijk aantekeningen te maken. In die aantekeningen moest natuurlijk uiteindelijk orde worden aangebracht, en het vinden van een vorm of een contrainte om in Oulipiaanse termen te spreken,  was de kern van de schrijfopdracht.  Het ‘Ce qui se passe quand rien ne se passe’,  van Perec ( ‘wat er gebeurt als er niets gebeurt’) werd ‘What happens where nothing  happens’,  en onder die titel vond eind mei de presentatie van de definitieve werkstukken plaats.

What Happens Where Nothing Happens / IDY1 EXHIBITION

De eerste roman van Georges Perec: L’Attentat de Sarajevo

Georges Perec, L´Attentat de Sarajevo, Parijs, Seuil, mei  2016.

Na in 2012 Le Condottière, een niet eerder gepubliceerde roman van Perec uit 1960 te hebben uitgegeven, doet Le Seuil dat nu ook met de uit 1957 daterende roman L’Attentat de Sarajevo, die destijds door de uitgeverij was afgewezen.

Perec bracht de zomer van 1957 door in Joegoslavië, verbleef er in Sarajevo en in Belgrado, raakte verwikkeld in een liefdesgeschiedenis, en dicteerde onmiddellijk na terugkomst in Parijs de sterk door zijn recente ervaringen beïnvloede roman aan een vroeger klasgenootje, Noëlla Menut. Zij schonk het aan haar opgedragen manuscript in 1992, tien jaar na de dood van Perec, aan de IMEC (Institut de mémoires de l’édition contemporaine). (1) Een tweede versie van L’Attentat…  is via een van Perecs Joegoslavische vrienden teruggevonden. Bij een  verhuizing had Perec per abuis al zijn manuscripten van voor 1962 weggeggooid.

In L´Attentat de Sarajevo vermengt Perec de  geschiedenis van de Balkan met het verhaal  van een driehoeksververhouding. De ik-verteller is verliefd op Mila en maakt haar het hof, haar veel oudere minnaar Branko laat dit niet over zijn kant gaan en de verteller vat het plan op om zijn lastige rivaal door diens jaloerse echtgenote Anna te laten ombrengen. Daartoe nodigt hij het drietal uit in  hotel Evropeivski in Sarajevo, met de bedoeling om Branko door Anna te laten neerschieten, precies op de plaats waar op 28 juni 1914 de Bosnische nationalist Gavrilo Princip een aanslag pleegde op aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk en zijn gemalin Sophie. De roman eindigt tamelijk abrupt, nog voor de beraamde moordaanslag.

De terugblik van de ik-verteller op zijn amoureuze avonturen krijgt een extra dimensie doordat Perec deze afwisselt met uittreksels uit de verslagen van het proces tegen Princip. (2) Perec was zich ervan bewust dat met de historische gebeurtenissen in Sarajevo ook in de microgeschiedenis van zijn eigen Pools-Joodse familie de klok van de tijdbom was afgesteld.

Net zoals le Condottière is L’Attentat de Sarajevo het laboratorium waarin een jeugdige auteur geëxperimenteerd heeft met vertelvormen, personages en thema’s. De roman is vooral interessant om te lezen als je latere boeken zoals het aangrijpende autobiografische W of de jeugdherinnering of de overweldigende roman Het leven een gebruiksaanwijzing al kent. Zo zal de tweeledige structuur van het boek een van de vaste formele kenmerken van Perecs latere werk worden.

73802[1]De afbeelding op de omslag van L’Attentat de Sarajevo, een portret van Perec,  gedateerd  augustus 1957 (Belgrado), is van de hand van Mladen Sbrinovic. De kunstenaar heeft zich bij de portrettering van Perec sterk laten beïnvloeden  door foto’s van Kafka. Perec, die een bijzondere voorkeur had voor een jeugdfoto van hemzelf waarop hij een sterke gelijkenis met Kafka vertoonde, was daarmee uitermate ingenomen.   

De tekst is bezorgd door Claude Burgelin, een van Perecs oudste vrienden en een van de  subtielste exegeten van zijn werk.

[1] Over zijn Joegoslavische avonturen brengt Perec verslag uit in zijn correspondentie met Jacques Lederer: ‘Cher, très cher, admirable et charmant ami…’, Correspondance Georges Perec & Jacques Lederer, Parijs, Flammarion, 1997, 38-50.

[2]Gebaseerd op uittreksels van het proces  in een studie van Albert Mousset, getiteld L’Attentat de Sarajevo, Un drame historique (1956).

De Condottiere: de tweede roman van Perec

De Condottiere, aantekeningen uit een laboratorium

De Condottiere, een jeugdwerk van Georges Perec, is een boek voor onvoorwaardelijke bewonderaars van het overige werk van de onvolprezen Franse schrijver. Daarmee bedoel ik dat het vooral interessant is om De Condottiere te lezen als je latere boeken zoals het aangrijpende autobiografische W of de jeugdherinnering of de overweldigende roman Het leven een gebruiksaanwijzing al kent. Perec was een van Frankrijks vele joodse oorlogswezen maar versleutelde dat lot op ingenieuze wijze in zijn werk, zonder het te dramatiseren.

Perec beschouwde de Condottiere als zijn eerste voldragen roman. Nadat twee uitgevers geweigerd hadden het boek te publiceren, schreef de toen vierentwintigjarige auteur in december 1960 aan een vriend: ‘Ik laat het boek nu rusten, voor het moment tenminste, en zal er over een jaar of tien weer aan beginnen, dan zal het vast en zeker een meesterwerk worden, en zoniet, dan zal ik rustig in mijn graf wachten totdat een trouwe exegeet het boek in een oude koffer vindt’. Profetische woorden, want het manuscript belandde door een verwisseling van koffers bij het oud vuil, en dook pas in 1992, tien jaar na Perecs dood, weer op dank zij de inspanningen van zijn biograaf, David Bellos. Nog weer twintig jaar later, in 2012, verscheen De Condottiere bij Seuil , ter gelegenheid van Perecs dertigste sterfdag. De Nederlandse vertaling door Edu Borger verscheen in 2014 bij De Arb48417[1]eiderspers.

Op de omslag van het boek staat een echte Antonella da Messina. het portret van een huurlingenaanvoerder, een Condottiere. Dat  portret probeert de hoofdpersoon in het boek, de meestervervalser Gaspard Winckler, te evenaren in een schilderstuk dat de wilskracht en het zelfvertrouwen van het origineel uitstraalt, maar géén kopie is. Winckler faalt daarin en snijdt in een vlaag van woede zijn opdrachtgever de keel af. De moord heeft al plaatsgevonden als het boek begint want in de eerste regels zeult Winckler al met het lijk. Het is zwaar. Net zoals het introspectieve onderzoek van Winckler naar de motieven die hem tot deze moord gebracht hebben en die in het boek op typisch perecquiaanse wijze tot twee keer toe uit de doeken worden gedaan. Niet de zwendel met vervalste schilderijen of de moord op Madera bezwaren zijn geweten, nee hij breekt zich het hoofd uitsluitend over het gebrek aan een eigen identiteit. Hij is niet meer dan een slaafse kopiist, een anonieme vervalser die jarenlang zijn talenten in dienst van een netwerk van corrupte kunsthandelaren heeft verspild, en niet bestaat voor de buitenwereld.

Dit gegeven – van een problematische want op bedrog berustende of onteigende identiteit – komt in alle mogelijke variaties in het latere werk van Perec terug. Ik geef als voorbeeld uit W of de jeugdherinnering de deserteur die onder de schuilnaam Gaspard Winckler in Duitsland woont en door de mysterieuze dokter Otto Apfelstahl naar Vuurland wordt gestuurd om daar te gaan zoeken naar de echte Gaspard Winckler. Een ander voorbeeld, uit Het leven een gebruiksaanwijzing, is de verhouding tussen Winckler,  de puzzelmaker, en zijn opdrachtgever Bartlebooth. Van Wincklers wraak op Bartlebooth wordt de voltooiing al in de slotzin van hoofdstuk 1 aangekondigd maar laat dan nog 99 hoofdstukken op zich wachten. Wincklers motieven worden nooit geëxpliciteerd.

De Condottiere biedt de lezer het gereedschap om dergelijke raadsels te duiden. Het is het laboratorium waarin een jeugdige auteur geëxperimenteerd heeft met vertelvormen, personages en thema’s. Het boek geeft door zijn onvaste vorm, met zijn afwisseling van te makkelijke ironie en heftige gevoelsuitbarstingen, ook een goede indruk van de weg die Perec daarna nog heeft moeten afleggen voordat hij de terughoudende en beheerste stijl vond die zijn latere werk kenmerkt.

Aan de vriend aan wie hij De Condottiere opdroeg, Jacques Lederer, schreef Perec : ‘Ik heb er zozeer onder geleden dat ik ‘de zoon ben van’ dat mijn eerste werk niets anders kan zijn dan een complete breuk met alles waaruit ik voortgekomen ben’.