Categorie archief: Boekbesprekingen

Autobiografische verdichtsels van Alain Robbe-Grillet

Les derniers jours de Corinthe _270731479XDoodsangst in een spookspiegel: Autobiografische verdichtsels van Robbe-Grillet

In Les derniers jours de Corinthe (Minuit, 1994) vervolgt Alain Robbe-Grillet het verhaal van zijn leven. Het is het laatste deel van het autobiografische drieluik Romanesques van de in 1922 geboren schrijver. In de eerste twee delen, Le miroir qui revient (1985) en Angélique ou l’enchantement (1988) beschreef hij zijn jeugd tijdens het Interbellum. Les derniers jours de Corinthe heeft Robbe-Grillet gewijd aan de periode na de Tweede Wereldoorlog waarin de geschiedenis van zijn leven grotendeels samenvalt met de ontwikkeling van zijn schrijverschap.

In 1955 verruilt Robbe-Grillet zijn aanstelling als landbouwkundig ingenieur bij het Institut des Fruits et Agrumes voor een baan als lector bij de Editions de Minuit. In 1953 was zijn debuutroman Les gommes al bij Minuit verschenen en na de publikatie van Le voyeur (1955) en La jalousie (1957), ontpopt hij zich in een aantal polemische artikelen tot de woordvoerder van de andere, eveneens onder auspicien van Minuit opererende Nouveau-Romanschrijvers. Na deze rumoerige beginperiode van strijd met de gevestigde literaire kritiek die in alle toonaarden haar afkeuring over de ‘kille’ vormexperimenten van de Nouveau Roman kenbaar maakt, gaat Robbe-Grillet rustig door op de ingeslagen weg. Hij publiceert een aantal romans waarin hij de traditionele vertelprincipes zo mogelijk nog meer geweld aandoet dan in zijn eerste werk; hij regisseert een achttal films, onderhoudt een vruchtbare samenwerking met beeldende kunstenaars als Rauschenberg en Delvaux, en verdeelt vanaf het eind van de jaren zeventig zijn tijd tussen Frankrijk en Amerika waar hij als literatuurdocent in New York en Saint Louis een actieve bijdrage levert aan het begrip voor de Franse letterkunde in het algemeen en zijn eigen werk in het bijzonder.

De herinneringen aan deze gebeurtenissen en ervaringen vormen echter het minst interessantste deel van Les derniers jours de Corinthe. De schrijver, die op gezette tijden lucht geeft aan zijn onbehagen over de onbeduidendheid van zijn eigen anekdotes, is de eerste om zijn lezer dit afkeurend oordeel te suggereren. Veel substantiëler, intrigerender en bovendien prachtig geschreven zijn de fragmenten van een parallelle geschiedenis waarmee hij deze herinneringen stelselmatig afwisselt en waaraan elke pretentie van waarheidsgetrouwheid vreemd is. Net zoals in de eerste twee delen van zijn Romanesques geeft Robbe-Grillet in Les derniers jours de Corinthe zijn verbeelding ruim baan en trekt hij zich weinig aan van de conventies van de traditionele autobiografie. ‘De omweg van de fictie is uiteindelijk veel persoonlijker dan de zogenaamde oprechte bekentenis’, schreef hij al in de openingspassage van Le miroir qui revient, om vervolgens consequent de hoofdrol in zijn eigen levensverhaal af te staan aan een raadselachtige dubbelganger, een man die zijn vader het leven zou hebben gered tijdens de Eerste Wereldoorlog en wiens identiteit voor Robbe-Grillet een bron is van eindeloze, vaak tegenstrijdige speculaties: graaf Henri de Corinthe.

Bretonse  kust

Corinthe vervult in Robbe-Grillets autobiografie de rol van de zandkorrel in de oester. De verteller wiens verbeelding gestimuleerd wordt door deze geheimzinnige figuur waar hij bijna niets van af weet, kapselt de Bretonse aristocraat Corinthe in een steeds aanwassende reeks verhalen in.

Voortdurend terugkerende elementen in deze verhalen zijn Corinthes heldhaftige wapenfeiten in de strijd tegen de Duitsers tijdens de beide wereldoorlogen, zijn extreem-rechtse sympathieen, en zijn sado-erotische preoccupaties. Die rechtse sympathieën kent Robbe-Grillet van zijn ouders die fervente aanhangers van Charles Maurras waren; de sado-erotische obsessies die hij Corinthe toeschrijft, kleuren van meet af aan zijn eigen romans. Robbe-Grillet geeft Corinthe echter ook een andere, minder persoonlijke achtergrond, en verrijkt deze verdichting van zijn eigen levensverhaal met een mythische dimensie. Al in Le miroir qui revient vervlecht hij Corinthes geschiedenis met een Bretonse legende en laat hij hem op een van zijn nachtelijke paardrijtochten langs de kust in de branding een spiegel vinden van waaruit het bleke gelaat van zijn in Zuid-Amerika verdronken geliefde, Marie-Ange, hem met een raadselachtige glimlach aanstaart. Het merkwaardige stigma dat Corinthes hals markeert, twee tandafdrukken, werpt bovendien over zijn geschiedenis de vampierachtige schaduw van Goethes Bruid van Korinthe.

Terwijl hij in Angelique ou l’enchantement de rol van deze klassiek fatale vrouwenfiguur – Marie-Ange, Angélique, Marie-Anne – nader uitwerkt, keert de schrijver in Les derniers jours de Corinthe terug naar het leven van zijn dubbelganger Corinthe en belicht hij het begin en de uiteindelijke ontknoping van diens noodlottige verbintenis. Corinthes ontmoeting met de mooie maar verderfelijke Marie-Ange vindt plaats in Brazilië vlak na de Tweede Wereldoorlog en verloopt geheel volgens het sado-erotische scenario waar Robbe-Grillet een patent op lijkt te hebben. De lezer die al eerder over Corinthes schouder in de spookspiegel heeft gekeken, weet hoe het met deze Marie-Ange afloopt, maar ook dat Corinthe nog niet van haar af is. En inderdaad wordt, vele jaren later, de rekening vereffend. De inmiddels bejaarde Corinthe heeft zich teruggetrokken in een vesting aan de Bretonse kust om aan zijn memoires te werken. Onder de schaarse meubelstukken in het vertrek bevindt zich uiteraard de spiegel die hij ooit in de branding heeft gevonden. Wanneer Corinthe op een avond voor de tweede keer in zijn leven in het verweerde glas de dwingende blik van zijn geliefde gewaar wordt, weet hij dat zijn laatste uur geslagen heeft en zet hij gedwee zijn handtekening onder zijn daarmee definitief onvoltooide werk.

Met deze scene besluit Robbe-Grillet het derde deel van zijn Romanesques. Het is een treffende samenvatting van alle obsessies die door zijn autobiografie spoken – morbide erotiek, agressie en doodsangst – en waartegen hij zich, inventief en vaak lichtvoetig, met zijn pen verweert. ‘Ik schrijf opdat de demonen die mij ‘s nachts het leven zuur maken, mij niet ook overdag nog lastig vallen’, zei Robbe-Grillet al in Le miroir qui revient, wel wetend dat het einde van zijn alter ego, Corinthe, ook hem wacht. De demonen hebben onherroepelijk het laatste woord.

Heeft de Nouveau-Romanschrijver Robbe-Grillet met deze Romanesques nu ook de grondslag gelegd voor een ‘nouvelle autobiographie’? Zeker is dat hij geen spaan heel laat van de grondregels van het genre: uitgaande van de overtuiging dat het geheugen onbetrouwbaar en elke reconstructie van het verleden per definitie willekeurig is, maakt hij van de nood een deugd en fantaseert hij er lustig op los. De talrijke scenes van Romanesques waarin de personages niet zichzelf, maar het beeld van een ander in de spiegel ontwaren, verwijzen naar de door de auteur met veel plezier gezaaide twijfel omtrent de overeenkomst tussen zijn echte en zijn autobiografische ik en naar zijn onwil om de verschillende afsplitsingen van dit papieren ik – Corinthe maar ook de vrouwenfiguur Marie-Ange – onder een alles verklarende noemer te brengen. In dit spel toont Robbe-Grillet zich onderhoudend, amusant, maar ook afstandelijk en kil. Zijn Romanesques zetten je aan het denken, maar je bent als lezer geen moment bang dat de demonen die door Robbe-Grillet in zijn werk worden opgevoerd, ook werkelijk uit de band zullen springen.

Manet van Montfrans NRC Handelsblad, 20 mei 1994

Nadine Gordimer en J.M.Coetzee

Kritische romans van Nadine Gordimer en J. M. Coetzee

Nadine Gordimer, My Son’S Story, Farrar, Straus and Ginoux, 1990.

J.M.Coetzee, Age of Iron, Secker and Warburg, 1990.

Gordimer-Rothman-74415558‘Ik woon 2000 meter boven de zeespiegel in een maatschappij die stampend en zwaaiend in het rond tolt, meegesleept door de maalstroom van revolutionaire veranderingen. De stad is Johannesburg, het land Zuid-Afrika en de tijd de nadagen van het koloniaal tijdperk in Afrika.’ Zo typeerde Nadine Gordimer in 1982 tijdens een lezing de explosieve situatie in haar geboorteland en, impliciet, haar eigen stellingname tegenover die situatie. Als Gordimer zichzelf voorstelt als schrijvend en denkend vanuit het epicentrum van de gebeurtenissen en tevens vanaf een strategische hoogte (2000 meter), brengt zij twee wezenskenmerken van haar schrijverschap tot uitdrukking. Aan de ene kant voelt zij zich nauw betrokken bij de ontwikkelingen in Zuid-Afrika, aan de andere kant is zij een scherp en afstandelijk waarnemer die zich door haar engagement en gefascineerdheid met de strijd tegen de apartheid niet wil laten meeslepen en verblinden. ‘The tension between standing apart and being fully involved, that is what makes a writer’, schreef zij in een van de opstellen over politiek en literatuur in de bundel The essential gesture (1988) en verwoordde daarmee een credo dat regelrecht en tot in zijn formulering voortvloeit uit de specifieke context waarin zij woont en werkt.

De schrijversloopbaan van de in 1923 geboren Nadine Gordimer valt precies samen met de geschiedenis van de naoorlogse apartheid. Gordimer publiceerde haar eerste verhalen onder de titel Face to Face in 1949, een jaar nadat de gezamenlijke verkiezingszege van de ‘boerenpartijen’ (de Nasionale Party en de Afrikaner partij) de weg had vrijgemaakt voor de wettelijke invoering van de apartheid. De zeven verhalenbundels en tien romans die zij in de daaropvolgende veertig jaar heeft doen verschijnen en waarin successievelijk de verschillende episodes uit de recente Zuidafrikaanse geschiedenis aan de orde zijn gekomen, laten zich lezen als een kroniek van het leven onder het apartheidsregime. Zo speelt A world of strangers (1959) tegen de achtergrond van het gezamenlijke verzet van zwarten en blanken tegen de apartheidswetten in de jaren vijftig. Het levensverhaal van de blanke advocaat Abram Fischer die als lid van de verboden Zuidafrikaanse Communistische partij in 1966 terecht stond en veroordeeld werd tot levenslange gevangenisstraf, heeft Gordimer geinspireerd tot het in 1979 verschenen Burger’s daughter. In July’s people (1981) laat ze het spookbeeld van revolutie en anarchie werkelijkheid worden, dat sinds de gebeurtenissen in Soweto in 1976 in Zuid-Afrika rondwaart, en waaraan ze ook in de hierboven genoemde lezing refereerde. Het breed opgezette A Sport of Nature (1986) gaat terug tot Sharpeville en de grote politieke processen die volgden op het verbod van de belangrijkste anti-apartheidsbewegingen in 1960, het African National Congress en het Pan-Africanist Congress, maar heeft als zwaartepunt de beschrijving van het zwervend bestaan van politieke ballingen die in de jaren zestig en zeventig hun strijd tegen de apartheid in de buurlanden van Zuid-Afrika en in Europa voortzetten.

Gewetensconflicten

Gordimer toont zich in haar werk gefascineerd door de moed en doelbewustheid van mensen die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid boven hun persoonlijke belangen stellen. De geschiedenis van anti-apartheidsstrijders als Fischer en Mandela heeft haar geleerd dat er geen zaak is die zoveel morele autoriteit uitstraalt als zelfopoffering, maar ze is er ook als geen ander van doordrongen dat de keuze voor engagement en zelfverloochening vaak frontaal botst met andere verantwoordelijkheden en daardoor een onuitputtelijke bron van gewetensconflicten is. In Gordimers romans fungeert het leven in de Zuidafrikaanse samenleving met zijn moeilijke dilemma’s als een vuurproef voor persoonlijke integriteit, waar maar weinige van haar personages zonder kleerscheuren uit te voorschijn komen.

Ook in haar meest recente roman My Son’s Story laat Gordimer zien dat persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheden, individuele vrijheid en trouw aan een persoon of zaak maar moeilijk met elkaar te verenigen zijn. Zoals zij in Burger’s daughter de levensgeschiedenis van de blanke communist Lionel Burger vertelde vanuit het perspectief van diens dochter Rosa, zo laat Gordimer in My Son’s Story het verhaal van de kleurling en politieke activist Sonny vertellen door diens zoon Will. Kinderen zijn doorgaans weinig toegeeflijke biografen die beschikken over een schat aan genadeloos onthullende intieme details. Met een kleine variatie op een uitspraak van de Frans-Roemeense schrijver Cioran die beweerde dat het ongelooflijk is dat het vooruitzicht om in de handen van een biograaf te vallen er nog nooit iemand van heeft doen afzien om een leven te hebben, zou je kunnen zeggen dat het ongelooflijk is dat het vooruitzicht om door je kinderen beoordeeld te worden, maar zo weinig mensen ervan doet afzien om ze te krijgen.

Will begint zijn verhaal op het moment dat hij er bij toeval achterkomt dat zijn voorbeeldige, door iedereen bewonderde vader die een vooraanstaand anti-apartheidsstrijder is, een buitenechtelijke verhouding heeft. Die ontdekking vervreemdt hem van allebei zijn ouders. Van zijn vader omdat deze de normen van trouw en zelfrespect die hij zijn kinderen met de paplepel heeft ingegoten, zelf met voeten treedt; van zijn moeder niet alleen omdat hij zijn kennis niet met haar kan delen, maar ook omdat hij zich ergert aan haar schijnbare argeloosheid en volgzaamheid. Gelukkig heeft Gordimer het levensverhaal van haar held Sonny niet alleen aan zijn sombere, introverte zoon toevertrouwd, maar belicht zij zijn lotgevallen ook vanuit andere gezichtspunten, dat van Sonny zelf, dat van zijn vriendin Hannah en dat van een anonieme verteller in wie zijzelf te herkennen is. Op die manier ontkomt zij aan de beperkte invalshoek van de opstandige Will en schept zij zo niet sympathie dan toch wel begrip voor de beweegredenen van haar hoofdfiguur, die onder de loep van al die vertellers buitengewoon complex en veranderlijk blijken te zijn. Sonny’s ontrouw ontketent zowel in zijn politieke loopbaan als in zijn persoonlijke leven een kettingreactie aan het eind waarvan hij met verbijstering moet constateren dat de rollen zijn omgedraaid en dat de voorbeeldfunctie die hij zo lichtvaardig heeft verzaakt, door de andere leden van zijn gezin op onverwachte wijze is overgenomen.

Gordimer, die in tegenstelling tot vele andere blanke en zwarte schrijvers Zuid-Afrika nooit heeft willen verlaten, is van mening dat in haar land maatschappelijk engagement een onontkoombare morele verplichting is voor iedereen die zich de luxe van een dergelijke keuze kan permitteren. Zij is er echter ook van overtuigd dat die keuze in vrijheid moet worden gemaakt en dat je haar niet aan anderen mag opdringen. Het is dan ook uiteraard geen toeval dat zij het levensverhaal van haar politieke ‘helden’ laat vertellen door hun kinderen die in opstand komen tegen de claim die er door het engagement van hun ouders op hun leven wordt gelegd. Gordimer heeft het zichzelf met de keuze van haar hoofdverteller in My Son’s Story niet gemakkelijk gemaakt; het verhaal van de vijftienjarige opstandige zoon is soms wat al te onverholen Freudiaans, terwijl de schildering van het bestaan van die merkwaardige middengroep in Zuid-Afrika, de kleurlingen, niet altijd even overtuigend is. In de beschrijving van het politieke milieu en van de verhouding tussen Sonny en Hannah, heeft Gordimer echter duidelijk vaste grond onder de voeten en ontrafelt ze trefzeker en subtiel het net van complexe paradoxen waarin de apartheid de Zuid-Afrikanen, van blank tot zwart, nog steeds gevangen houdt.

Doodziek

De revolutie smeult, er lijkt een nieuwe ijzeren eeuw, een nieuw tijdperk van oorlog en geweld aangebroken, het land is ook dit keer weer Zuid-Afrika. De doodzieke Elizabeth Curren heeft begin 1986 nog maar een paar maanden te leven. Dat is het basisgegeven van Age of Iron, de zesde roman van de in 1940 in Kaapstad geboren J. M. Coetzee. Terwijl Gordimer personages schept wier karakter extra relief krijgt door de omstandigheden waarin ze moeten leven en de keuzes die ze gedwongen zijn te maken, is bij Coetzee eigenlijk het omgekeerde het geval. Bij Coetzee zijn het de omstandigheden die extra aangezet worden doordat zijn personages er hun existentiële ervaringen op projecteren eenzaamheid, drift, angst voor verval en dood. Dat de omstandigheden in Zuid-Afrika waar ook Coetzee zijn boeken doorgaans situeert, zich daar goed voor lenen, behoeft geen betoog. Met romans als In the heart of the country (1977), Waiting for the barbarians (1980) en Life and Time of Michael K. (1983) heeft Coetzee zich geplaatst in de traditie van schrijvers als Kafka en Beckett, de ‘habitués van Grand Hotel de Afgrond’, zoals de marxistische literatuurtheoreticus Lukács ze noemde.jm-coetzee-39151-1-402

Elizabeth Curren is een gepensioneerde lerares klassieke talen die haar laatste dagen in eenzaamheid slijt in een te groot geworden huis in Kaapstad. Haar dochter is jaren geleden naar Amerika geemigreerd en heeft gezworen nooit meer een voet in het land van de apartheid te zetten. Uit respect voor die beslissing besluit Elizabeth Curren haar dochter niet te laten weten dat ze ongeneeslijk ziek is. Bij wijze van testament wil ze haar na haar dood een geschreven verslag van haar laatste maanden sturen. Het verzenden van dat verslag vertrouwt ze toe aan een alcoholische zwerver die zijn intrek heeft genomen in een rommelhok in haar tuin en die ze niet wil wegjagen, ook al haalt ze zich daarmee het ongenoegen van haar zwarte bediende Florence op de hals.

Florence, die zelf afkomstig is uit een sloppenwijk en zich doodwerkt voor een menswaardig bestaan, kan geen enkele sympathie opbrengen voor een morsige blanke drop-out. De zwijgzame, weinig toeschietelijke zwerver, mijnheer Vercueil, trekt zich van dat misprijzen niets aan en laat zich de goedheid van zijn weldoenster welgevallen zonder zich in een ondergeschikte rol te laten manoeuvreren. Hoewel Elizabeth Curren geen last heeft van vooroordelen en weet dat een zieke oude vrouw in de sociale hierarchie ook niet zoveel waard is, kan ze een milde verwondering toch niet onderdrukken, als Vercueil zich totaal niet vatbaar toont voor het idee dat er rangen en standen zijn. De schrijnende, maar ook onweerstaanbaar komische dialogen tussen de voormalige lerares met haar humanistische ideeen en de flegmatieke, monosyllabische Vercueil, behoren tot de hoogtepunten van het boek.

Oproerpolitie

Hoewel zij niet weet of haar woorden wel tot zijn permanent benevelde bewustzijn doordringen, maakt Elizabeth Curren Vercueil deelgenoot van de tumultueuze ervaringen die het slot van haar leven voor haar in petto blijkt te hebben. Door toedoen van de vijftienjarige zoon van Florence, Bheki, raakt ze betrokken bij een aantal gebeurtenissen die haar van dichtbij confronteren met de afschuwelijke toestand in haar land. Coetzee laat de zieke Elizabeth getuige zijn van onlusten in een van de sloppenwijken aan de rand van Kaapstad, waarbij de oproerpolitie met scherp op de menigte schiet. Het is een fantastisch beschreven scene waarin je je als lezer samen met de hoofdpersoon al in de hel waant. Een desolate zandvlakte vol huisvuil, stromende regen, rook van de in brand gestoken, nog nasmeulende huizen, een vijandige menigte, en in een loods waarvan alleen de vier muren nog overeind staan, de ontzielde lichamen van Bheki en zijn vrienden. Kinderen nog, die zich door de frasen van de revolutie het hoofd op hol hebben laten brengen en spelenderwijs de dood zijn ingelopen. Hoewel zij zich ervan bewust is dat zij in de ogen van zwarte en blanke omstanders niet meer is dan een dwaze, machteloze oude vrouw, leest Elizabeth de blanke soldaten die daar de wacht houden, de les, als was het haar schoolklas; ‘Waarom leggen jullie je geweren niet neer en gaan jullie niet gewoon naar huis, allemaal. Niets kan erger zijn dan wat jullie hier aan het doen zijn. Erger voor jullie zieleheil, bedoel ik’. Nutteloze woorden van een zieke wier rol overduidelijk is uitgespeeld: de soldaten halen hun schouders op en gaan verder met wat voor hen tot een dagelijkse routine is geworden.

In Age of Iron verkeert de hoofdpersoon in een situatie die is ontdaan van alle franje waarmee de mens zijn leven pleegt op te sieren en zin te geven. Geconfronteerd met de wezensvragen van het bestaan, moet Elizabeth Curren bekennen dat veel van de ideeen waaraan ze troost zou kunnen ontlenen en veel van de normen volgens welke ze heeft geprobeerd te leven, ontkracht worden door de ontaardheid van de maatschappij waarvan de doodsstrijd zich parallel aan haar eigen stervensproces voltrekt. Door de afwezigheid van haar dochter wordt de moeder-kindrelatie en daarmee het troostrijke idee van de natuurlijke cyclus van leven en dood voor Elizabeth tot een dorre abstractie die haar minder verlichting geeft dan de lichaamswarmte van de zwerver en zijn hond die haar op haar doodsbed gezelschap houden.

Onzeker voortbestaan

De vervreemding tussen deze moeder en haar kind die het resultaat is van de apartheid, weerspiegelt iets dat zich in Zuid-Afrika op grote schaal voltrekt. Een land dat zijn eigen jeugd uitmoordt, stelt zijn eigen voortbestaan in de waagschaal.

De gedachte dat ze als een goed mens geleefd heeft, kan Elizabeth al evenmin troosten, want de gebeurtenissen waarvan ze getuige is geweest, doen haar tot de slotsom komen dat ze ernstig tekort is geschoten. In een land waarin opnieuw een ijzeren eeuw lijkt te zijn aangebroken, is het helaas niet voldoende om humanistische waarden als redelijkheid en tolerantie in ere te houden: ‘Zuid-Afrika heeft fatsoenlijke inwoners te over, zegt ze tegen Vercueil, maar deze tijd heeft behoefte aan iets heel anders dan aan fatsoen. Deze tijd schreeuwt om helden… Het is tijd voor vuur, tijd voor het einde, tijd voor wat slechts uit as herboren kan worden’.

Anders dan bijvoorbeeld Waiting for the Barbarians en The Life and Time of Michael K. waarin de tijd en de plaats van de handeling veel minder precies worden aangegeven, sluit Age of Iron zo nauw aan bij de historische werkelijkheid en zijn de personages zo specifiek beschreven dat allegorie en realisme elkaar volmaakt in evenwicht houden en het verhaal zich heel goed op twee niveaus laat lezen. Zo kan Elizabeth Curren gezien worden als de belichaming van de humanistische waarden die in het Zuid-Afrika van Coetzee ten dode lijken opgeschreven, maar wordt ze ook heel concreet beschreven als een vrouw die onder moeilijke omstandigheden haar leven op een waardige manier tot een goed einde probeert te brengen. Zo ook kan Vercueil gezien worden als de veerman die Elizabeth over de Styx moet brengen, maar is hij tevens een morsige dakloze zwerver met een hond die op zijn eigen manier de maatschappij de rug heeft toegekeerd. Florence, tenslotte, de rouwende moeder die samen met haar twee dochtertjes in een droom aan Elizabeth verschijnt als Isjtar, de Assyrische godin van de moederlijke liefde en van de oorlog, is ook een van de talloze Afrikaanse vrouwen die hun zonen aan de revolutie zijn kwijtgeraakt.

Age of iron is een intens en geserreerd geschreven, beklemmend boek met een boodschap die ondanks alle pessimisme toch plaats voor hoop laat. Elizabeth Curren treedt haar dood waardig tegemoet, omdat zij zich, in weerwil van al haar sombere conclusies, hardnekkig blijft vastklampen aan de strohalm van de rede. En volgens J. M. Coetzee is dat de manier waarop de mens zijn lot moet dragen en waarop zijn land kan ontkomen aan de ondergang.

Manet van Montfrans, 26 oktober 1990

Een man die slaapt

een man die slaapt 9200000102208312Heruitgave van Georges Perec: Een man die slaapt. Vertaling Rokus Hofstede. De Arbeiderspers, 2018.

 La vie mode d’emploi (1978), het magnum opus van Georges Perec (1936-1982), dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen en terecht door publiek en kritiek bejubeld werd, beschrijft in 99 hoofdstukken de bewoners en de inboedel van 100 vertrekken in een negentiende-eeuws Parijs appartementengebouw. Hoofdstuk 52 gaat over een van de voormalige huurders van het dienstbodenkamertje helemaal rechts boven in het pand. Deze huurder, Grégoire Simpson, wordt beschreven als een wat eigenaardige jongeman, die van de ene dag op de andere zijn studie geschiedenis opgeeft, zich afsluit voor de buitenwereld, en zich, rokend of sluimerend op zijn bed, wijdt aan oefeningen in onverschilligheid en onthechting. Op een dag verdwijnt hij spoorloos.

Het postscriptum van La vie mode d’emploi bevat een alfabetische lijst met de namen van de dertig auteurs wier werk Perec ‘in soms licht gewijzigde vorm’ in zijn roman geciteerd heeft. Op die lijst vermeldt Perec niet alleen zijn lievelingsschrijvers zoals Flaubert, Kafka en Melville, maar ook zichzelf. Een vergelijking van hoofdstuk L11 van La vie mode d’emploi met het eveneens in Nederlandse vertaling verschenen Un homme qui dort (1967) leert dat Perec de kunst van het citeren inderdaad met overgave heeft beoefend, ook waar het zijn eigen werk betreft. De figuur van Grégoire Simpson doet niet alleen denken aan Kafka’s Gregor Samsa en Melvilles weigerachtige klerk Bartleby, maar lijkt ook nog eens als twee druppels water op de naamloze hoofdpersoon die Perec al eerder, in die beklemmende en raadselachtige roman van 1967, ten tonele had gevoerd en gehuisvest had in een identiek zolderkamertje.

Perec ontleende de titel van Un homme qui dort aan de beroemde openingspassage van Prousts A la recherche du temps perdu: ‘Iemand die slaapt spant in een cirkel de draad der uren om zich heen, de orde der jaren en werelden’. Wie daar echter uit zou afleiden dat bij Perec, net zoals bij Proust, de slaap in zijn verschillende verschijningsvormen fungeert als springplank voor het geheugen, komt bedrogen uit. In Un homme qui dort is de slaap nooit meer dan een korte, onrustige sluimer en zwijgt het geheugen.

Perecs ‘slaper’ staat, net zoals zijn latere replica Grégoire Simpson, ronduit afwijzend tegenover de wereld. Om een toestand van volkomen onverschilligheid, van volledige apathie te kunnen verwezenlijken, balanceert hij als een koorddanser op de grens tussen buiten- en binnenwereld. Hij beperkt zijn gedachtenleven tot de registratie van zijn zintuiglijke gewaarwordingen, en onthoudt zich van van elke vorm van interpretatie of beoordeling, van elke herinnering en elke associatie. Slapen of liever gezegd inslapen is een van de bewustzijnstoestanden die zich daar het best toe lenen. De beelden die zich tijdens de overgangsperiode tussen waken en slapen, aan de slaper opdringen en die voortkomen uit een combinatie van de vage zintuiglijke gewaarwordingen van de wereld om hem heen en de impulsen uit zijn hersens, drijven als losse wrakstukken op de stroom van zijn bewustzijn. Op het moment dat de slaap dieper wordt en de hoofdpersoon dreigt af te glijden naar het domein van de meer coherente dromen en de herinneringen, schrikt hij doorgaans wakker. Het eerste deel van het boek, dat is opgebouwd uit elkaar afwisselende waak- en slaapscènes, eindigt niettemin met een nachtmerrie, die de ommekeer van het verhaal bewerkstelligt. De onverschilligheid slaat om in een panisch gevoel van verlatenheid, en in het tweede deel wordt beschreven hoe deze reis naar het einde van de nacht uitmondt in een overhaaste terugkeer van de hoofdpersoon naar de wereld van zijn wakkere soortgenoten.

Perecs literaire keuzes zijn altijd radicaal en dwingend. In Un homme qui dort plaatst hij zijn lezer in het bewustzijn van de hoofdpersoon die consequent in de jij-vorm wordt aangesproken. Hoewel de lezer er door dat procédé toe gebracht wordt zich met het personage van de Parijse student te vereenzelvigen en zich onder de invloed van Perecs herhalende, bijna bezwerende stijl door hem laat meevoeren naar het schemergebied van zijn bewustzijn, kan hij alleen maar gissen naar de oorzaak van zijn onverschilligheid en zijn angst. Wel wordt in de loop van het verhaal duidelijk dat het niet functionerende geheugen en de nadrukkelijk afwezige herinneringen een spilfunctie hebben. Pas in het openlijk autobiografische W ou le souvenir d’enfance (1975) de herinneringen aan de kindertijd van een joodse wees in Vichy-Frankrijk, laat Perec het geheugen spreken. In retrospectie wordt dan duidelijk waar hij in Un homme qui dort op zo’n intrigirende wijze omheen draait.

Manet van Montfrans, NRC Handelsblad 3 januari 1997.

Ballonnen aan het front: Levendig oorlogsdagboek van Jean-Paul Sartre

Jean-Paul Sartre, Carnets de la drôle de guerre, Septembre 1939-Mars 1940. Uitg. Gallimard, 680 blz. Prijs: ƒ75,10

De in 1983 door Gallimard gepubliceerde dagboeken verschenen in vertaling bij De Arbeiderspers in het Privé-domein onder de titel Schemeroorlog (1983).

Van de vijftien oorlogsdagboeken werden er vijf in 1983 gepubliceerd, de Carnets 3, 5, 11, 12 en 14. De rest werd verloren gewaand. De onverwachte vondst van Carnet 1 in 1991 was voor Gallimard aanleiding om tot een nieuwe uitgave over te gaan. In deze nieuwe Carnets de la drôle de guerre zijn behalve de al eerder in 1983 verschenen teksten nu ook de 160 bladzijden van het teruggevonden dagboek opgenomen. De appendix bevat een selectie uit de brieven die Sartre in deze eerste oorlogsperiode aan Simone de Beauvoir schreef, waardoor het de lezer ook duidelijk wordt waarmee hij zich in de periodes van de nog niet teruggevonden dagboeken bezighield.

Hoe verhelderend en noodzakelijk dergelijke overzichtsstudies ook zijn, zij leggen de nadruk op ideeën, instituties en maatschappelijke ontwikkelingen. De denkers die erin besproken worden, blijven noodgedwongen vaak wat schimmige dogmatische figuren. Wie nu met een dergelijk schematisch beeld van Sartre in het achterhoofd de oorlogsdagboeken openslaat, zal tot zijn verrassing een levendig en nieuwsgierig schrijver aantreffen die van mening is dat alle ervaringen, positief of negatief, leerzaam zijn, en die bereid is om alles en iedereen, ook zichzelf, ter discussie te stellen. Een schrijver die bovendien met een aanstekelijk gevoel voor humor en in een zeer gevarieerde vorm verslag doet van de alledaagse werkelijkheid van een bijzondere historische periode.

Alpinopet

Ziet Sartre de oorlog aanvankelijk als een lastige spelbreker die zijn comfortabele bestaan van jong en veelbelovend schrijver wreed vestoort (La Nausée werd in 1938 warm onthaald), al gauw raakt hij geboeid door het vreemde schouwspel in zijn nieuwe omgeving. In kleine anekdotes, korte dialogen en rake beschrijvingen schetst hij de lachwekkende gewichtigdoenerij van zijn superieuren, de fysieke en psychische eigenaardigheden van zijn medesoldaten en de absurditeit van de drôle de guerre, die schemeroorlog die eigenlijk geen oorlog is, dat eindeloze wachten op een vijand die zich enkele kilometers verderop heeft verschanst maar zich niet laat zien. Ook zijn eigen rol vindt hij meer lachwekkend dan heroïsch: hij beschrijft zichzelf als een klein loensend mannetje van krap 1.57m met een alpinopetje, dat als opdracht heeft een aantal malen per dag ballonnen op te laten om ballistische berekeningen te maken, terwijl er maanden lang geen schot wordt gelost. Veel van deze observaties zal Sartre gebruiken in L’âge de raison, de roman waarmee hij op dat moment bezig is.

“In dit dagboek wil ik,” zo schrijft Sartre op 1 oktober 1939, “erachter komen wat oorlog voeren nu eigenlijk inhoudt en wil ik mijzelf in de confrontatie met die oorlog leren kennen.” Sartre wisselt zijn satirische observaties van de wereld om hem heen dan ook af met veel introspectieve beschouwingen. Is hij nu, zoals hij altijd dacht, een pacifist? En als hij dat is, waarom weigert hij dan geen dienst? Wat houdt nu in een oorlogssituatie eigenlijk die vrijheid in waar hij zoveel waarde aan hecht? En draait hij zichzelf met al zijn redeneringen en zogenaamde motivaties geen rad voor ogen?

Het portret dat Sartre van zichzelf in deze dagboeken schetst, is niet gewichtig of zwaarmoedig, maar heeft wel iets heel ongrijpbaars. Hij denkt onophoudelijk na over zijn eigen handelingen en beweegredenen, maar neemt van die reflectie ook steeds weer afstand. Zodra hij een bepaalde gedraging of emotie heeft geanalyseerd of daar een oordeel over heeft uitgesproken, betrekt hij een andere positie van waaruit de hele zaak weer op losse schroeven wordt gezet.

Kronkelwegen

Zo noteert hij bijvoorbeeld op 21 oktober 1939 dat hij wel enige voldoening voelt over de manier waarop de Franse Communistische Partij door het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin in de problemen is geraakt. Hij heeft in het verleden geweigerd om zich bij de communisten aan te sluiten en voelt zich achteraf alsnog in het gelijk gesteld door de omstandigheden. Vervolgens bedenkt hij echter dat deze afloop hem een wel erg handige rechtvaardiging van zijn beslissing van destijds biedt. De acceptatie van die rechtvaardiging zou van ‘kwade trouw’ getuigen, want aan zijn beslissing heeft waarschijnlijk een gebrek aan overtuiging of morele moed ten grondslag gelegen en niet een op kennis van zaken gefundeerd oordeel over de betrouwbaarheid van de partij. Wat deze en andere beschouwingen over concrete situaties zo interessant maakt, is dat ze laten zien langs welke (kronkel)wegen Sartre tot zijn definitie van begrippenparen als ‘kwade trouw’ en ‘authenticiteit’, ‘vrijheid’ en ‘verantwoordelijkheid’ komt, begrippen die in zijn filosofie en zijn opvatting van het engagement van de intellectueel een fundamentele rol gaan spelen.

In Sartre’s dagboeken komen natuurlijk nog tal van andere meer of minder interessante onderwerpen aan bod: zijn lectuur en zijn grote literaire voorbeelden (Gide en Stendhal), de strubbelingen met de roman die hij aan het schrijven is, zijn verhouding met Simone de Beauvoir en de onvermijdelijke verwikkelingen met zijn andere vriendinnen, die hij met enige opluchting in Parijs lijkt te hebben achtergelaten. Dit alles maakt de oorlogsdagboeken veelzijdig en informatief. Hun grootste verdienste is echter dat ze ons er speels en levendig toe weten te verleiden om voor de tijd van enkele uren in de huid te kruipen van een mannetje van krap 1.57 m dat van onder zijn alpinopetje onderzoekend naar een wereld kijkt die zonder zijn geanimeerde en oplettende observaties voor ons onherroepelijk verloren zou zijn.

 Manet van Montfrans, NRC Handelsblad,  17 maart 1995

Twee legendarische Franse uitgevers: Herinneringen van Jean Bruller (dit Vercors) en Maurice Nadeau

Maurice Nadeau: Grâces leur soient rendues, méBruller 51F1JF390-L._SX302_BO1,204,203,200_ moires Nadeau 41xBJP15B6L._SX321_BO1,204,203,200_littéraires. Uitg. Albin Michel, 1990.

A vrai dire, entretiens de Vercors avec Gilles Plazy. Uitg. Francois Bourin, 1990.

Link: Maurice Nadeau en Jean Bruller: Klapwiekend laat ik mijn gekukeleku horen

Citeren:  Manet van Montfrans,  Herinneringen van Jean Bruller en Maurice Nadeau, NRC Handelsblad,  19 juli 1991.

In november 2018 verschijnt Maurice Nadeau,  Soixante ans de journalisme littéraire tome 1 : Les Années « Combat » Auteurs : Maurice Nadeau (tekst) Tiphaine Samoyault (voorwoord), Parijs, Uitg. Maurice Nadeau.   Deel 2 zal gewijd zijn aan de jaren van het tijdschrift Les lettres nouvelles.

 

Proustiaanse ontdekkingsreizigers

15284908_771243143014840_4696310774460525683_n1Manet van Montfrans, ‘Proustiaanse ontdekkingsreizigers: Edward Bizub en Luc Fraisse op zoek naar de bronnen van de Recherche’, Bulletin Marcel Proust Vereniging, nummer 7, Amsterdam, De Boekdrukker, 2016, 59-74.

In de Recherche wijdt Prousts Verteller op strategische plaatsen een aantal bespiegelingen aan het geheugen, bijvoorbeeld aan het begin (De kant van Swann) en aan het slot (De tijd hervonden). De werking van het geheugen biedt tevens de stof voor het verhaal. De rol die Proust toekent aan het ‘onwillekeurige geheugen’ bij het hervinden van het verleden is overbekend. En ook het onderscheid dat hij maakt tussen het ‘maatschappelijke ik’ en het ‘diepe ik’, en tussen de ‘verloren tijd’ en de ‘hervonden tijd’. Maar waar komen de ideeën achter die voor zijn lezers al bijna afgesleten termen vandaan? Zijn ze oorspronkelijk of heeft Proust zich bij de uitwerking ervan laten inspireren door voorgangers en/of tijdgenoten? En als dit laatste het geval is, aan wie is Proust dan schatplichtig en hoe is hij met die schatplichtigheid omgegaan?

Link: www.marcelproust.nl (archief Bulletin nr. 7)

Dying for time. Proust, Woolf, Nabokov

Bespreking van Martin Hägglund, Dying for Time. Proust, Woolf, Nabokov, Harvard University Press, Cambridge,  Publicaties | Nexus Instituut Leestafel, 2014.

De Zweedse filosoof en literatuurwetenschapper Martin Hägglund (1976) verwierf in 2008 bekendheid met de studie Radical Atheism: Derrida and the Time of Life. Uit de titel blijkt al de strekking van het boek: Hägglund ziet Derrida als een denker voor wie er buiten het sterfelijk leven niets is, en neemt daarmee stelling tegen de pogingen van bijvoorbeeld de filosoof John D. Caputo om de ideëen van de in 2004 overleden Frans-Algerijnse filosoof in een religieus kader te plaatsen.

In Dying for Time gaat Hägglund opnieuw in tegen de filosofische traditie die, van Plato tot Freud en Lacan, angst voor de dood en de eindigheid doet voortkomen uit een verlangen naar onsterfelijkheid, naar een staat van zijn die niet aan verandering onderhevig is. Volgens Hägglund verlangen we helemaal niet naar onsterfelijkheid; integendeel, onze angst voor de dood komt voort uit onze gehechtheid aan het eindige leven. Zijn hoofdargument is dat verlangen altijd is gebonden aan tijd. Als er geen tijd zou zijn, zou er geen verlangen mogelijk zijn. Ons verlangen ontstaat en wordt onderhouden door het besef dat de dingen waar we om geven, verloren kunnen gaan. Vervulling van het verlangen is niet onmogelijk, maar wel noodgedwongen tijdgebonden. En op het moment waarop vervulling plaatsvindt, dreigt al het verlies.

Link : https://www.nexus-instituut.nl/leestafel/329-dying-for-timeMartin Hägglund

Pierre Bergounioux. – (Littératures ; 60)

Compte rendu de Pierre Bergounioux. – (Littératures ; 60),  French Studies, 66(3), july 2012, 428-429.

L’œuvre de Pierre Bergounioux, né à Brive (Corrèze) en 1949, se caractérise par deux constantes thématiques étroitement liées: la double détermination de l’homme par son hérédité familiale et son lieu natal, et la volonté d’élucider cette emprise des origines par une réflexion érudite nourrie des apports des sciences humaines et naturelles. C’est à ces deux versants de l’œuvre que réfèrent les articles réunis dans Littératures no 60.

Link https://muse.jhu.edu/journals/french_studies_a_quarterly_review/toc/frs.66.3.html

Hartstocht voor een lege huls. L’Incertaine de Pascal Lainé

 Watteau 1716/1718
Watteau 1716/1718

Hartstocht voor een lege huls; Pascal Lainé over een onmogelijke liefde

Pascal Lainé: L´Incertaine,  Uitg. Fayard, 1992, 213 blz.

“Ze kwam naar me toe omdat ze me voor een ander aanzag, voor een ander, toen al.” Met deze – knappe – eerste zin valt Pascal Lainé in zijn recent verschenen roman L’Incertaine met de deur in huis. Het schijnbaar achteloos toegevoegde toen al geeft aan dat het verloop van de geschiedenis waarvan het begin en, impliciet, het einde, hier in één zin beschreven worden, weinig rooskleurig is geweest. De ik-figuur, een schrijver, blikt terug op zijn verhouding met een actrice, vanaf de eerste toevallige ontmoeting bij een repetitie van een toneelstuk van Marivaux tot de laatste afscheidsscène, en probeert te achterhalen waarom hun liefde is gestrand.

Uit deze minutieus verrichte sectie op de herinnering aan een verhouding, komen twee portretten voort. Dat van een jonge vrouw uit de provincie die wanhopig zoekt naar wegen om zich aan een alles absorberend gevoel van innerlijke leegte te ontworstelen, maar zich alleen op het toneel, in de huid van een ander, gelukkig voelt. Het andere portret is dat van een oudere man, een in Parijs wonende schrijver met een gevestigde reputatie die, op zoek naar de belichaming van jeugd en schoonheid, aanvankelijk blind is voor de persoonlijke problemen van de vrouw die zijn dromen in vervulling doet gaan.

In de toneelstukken van Marivaux is het de eigenliefde van de geliefden die een gelukkige verbintenis in de weg staat. In de roman van Lainé wordt het grootste obstakel juist gevormd doordat de jonge vrouw elke vorm van eigenliefde ontbeert. Het is dan ook veelzeggend dat de verteller haar tijdens de toneelrepetitie niet op de planken, maar in de zaal treft; net zoals hij woont zij de voorstelling slechts als toeschouwer bij; in de stukken van Marivaux is voor haar geen rol weggelegd.

Hartstocht veronderstelt een zekere mate van eigenliefde; de geliefden zoeken in elkaar een beeld van zichzelf dat overeenstemt met een ideaal ik. Bij Lainé’s actrice ontbreekt dit ideaalbeeld echter; zij weet niet wie ze is, en ook niet wie ze wil worden. De diagnose laat niets aan duidelijkheid te wensen over: “ik geloof”, zegt de verteller, “dat zij pas zichzelf was als ze de gedaante van een ander aan kon nemen: daarom zal ik nooit weten wie zij was. Ze wilde aan zoveel personages vorm geven dat zij er nooit een kon voldragen. Ze hadden het licht van de schijnwerpers nodig, zij en haar heldinnen, om te kunnen bestaan.” Het verlangen om niet uitsluitend op het toneel, voor de duur van een voorstelling, maar om ook in de werkelijkheid als autonoom individu te bestaan, maakt de vrouw, paradoxaal genoeg, tot een willoze prooi voor iedereen die haar bij de vervulling van dat verlangen lijkt te kunnen helpen. Haar minnaars zijn daarom inwisselbaar: “ze zag me aan voor een ander, toen al.”

De verteller, die verblind is door zijn haastige begeerte, ontgaat het aanvankelijk dat hij niets anders in zijn armen houdt dan een lege huls. In het relaas van zijn voorbije passie beschrijft hij hoe hij daarna tevergeefs geprobeerd heeft vat te krijgen op zijn ongrijpbare geliefde, maar eigenlijk ook van meet af aan wist dat juist in die ongrijpbaarheid haar voornaamste aantrekkelijkheid voor hem school. Minnaar en schrijver strijden daarbij in hem om voorrang. Terwijl de minnaar beurtelings jaloers is en zich schuldig voelt, toont de schrijver zich gebiologeerd door een raadsel dat zijn verbeelding prikkelt en er om smeekt door hem opgehelderd te worden. Als schrijver heeft ook de verteller de huid van een ander nodig en je zou kunnen zeggen dat hij in zekere zin zijn geliefde levend vilt.

Sinds het bekende La dentellière (1974) schreef Pascal Lainé een tiental romans waaronder Terre des ombres (1982) en Dîner d’adieu (1991). Al deze romans zijn variaties op hetzelfde gegeven van een onmogelijke liefde. De thematiek van L’Incertaine is dus geen verrassing, maar in de uitwerking ervan toont Lainé zich superieur subtiel. De stijl is tegelijk afwisselend en heel geconcentreerd; de wereld waarin de auteur zijn personages plaatst, heeft door zijn virtuoze spel met schijn en werkelijkheid en zijn suggestieve beelden iets uitzonderlijk poëtisch. Prachtig beschreven is bijvoorbeeld de enige gelukkige liefdesscène die zich tijdens een hete zomermiddag afspeelt aan de oever van een meertje. Het roerloze water weerspiegelt de beweeglijke schaduwen van de libelles, de bladeren van de populieren ritselen, en voor de geliefden staat de tijd stil. Het is een scène die sterk doet denken aan een van de door de Metamorfoses genspireerde schilderijen van Watteau en de lezer die zich overgeeft aan de suggestiviteit van deze passage, zou niet verbaasd zijn als hij achter de twee figuren op de voorgrond zichzelf in de schaduw van het struikgewas, verdiept in een boek, zou ontwaren.

Manet van Montfrans, NRC Handelsblad, 2 april 1993.