Tagarchief: jodenvervolgingen

In de Kast: Poste Restante, een bericht uit 1945

Manet van Montfrans, ‘In de Kast: Poste Restante, een bericht uit 1945. Over Franse literatuur, vervolging en volharding’. In : Vooys, 34 (3), 2016, 58-65. 

Françoise Frenkel, Rien où poser sa tête, Parijs, Gallimard, 2015 [Genève, 1945].

Ned. vertaling Marianne Kaas, Niets om het hoofd op neer te leggen, Atlas/Contact, 2018.

De Passauerstrasse in 1934 met de boekwinkel van Françoise Frenkel
De Passauerstrasse in 1934 met de boekwinkel van Françoise Frenkel

In 1921 begint Françoise Frenkel, een jonge vrouw van Pools-Joodse afkomst die Franse taal en letterkunde heeft gestudeerd aan de Sorbonne, een Franse boekhandel in Berlijn: ‘La Maison du Livre francais’.

Herinneringscultuur in Roemenië

Sighet, een afgelegen pleisterplaats van het Europese geheugen

Eind mei 2016 was ik in Sighet, voluit Sighetu Marmaţiei, een Roemeens stadje in het Maramures-district,  aan een van de buitengrenzen van Europa. Meer dan een halve eeuw was Sighet van het naburige Oekraïne gescheiden door de rivier de Tisa. De in 1944 opgeblazen brug werd pas in 2007 door een nieuwe vervangen. In het door een schil van verwaarloosde betonnen flats omgeven historische centrum van Sighet bezocht ik drie herdenkingsplaatsen: een voormalige gevangenis, een gedenkteken ter herinnering aan de slachtoffers van de Jodenvervolgingen, en het huis waar de onlangs overleden schrijver Elie Wiesel op 30 september 1928 werd geboren.

In de gevangenis werden tussen 1948 en 1955 de opponenten van het communistische bewind opgesloten, veelal leden van de vooroorlogse politieke elite. In die periode stierven er vierenvijftig van de ruim honderdtachtig gevangenen aan mishandeling en ondervoeding. In 1977 werd de gevangenis gesloten en na de dood van Ceaușescu nam schrijfster Ana Blandiana (1942) samen met haar echtgenoot, de schrijver Romulus Rusan (1935), in 1992 het initiatief om de gevangenis als museum in te richten. De vader van Ana Blandiana, een Georgische priester, had jaren in gevangenschap doorgebracht en stierf kort na zijn vrijlating. Het museum kwam tot stand onder auspiciën van de Raad van Europa. Sinds 2000 fungeert het nu mooi gerestaureerde gebouw als Nationaal Museum, ter nagedachtenis aan de ‘slachtoffers van het communisme en aan het verzet’. Het maakt  deel uit van een Internationaal Centrum voor studies over het communisme waarvan het hoofdkwartier in Boekarest is gevestigd.

De huidige inwoners van Roemenië kunnen er kennis nemen van de ‘ware’ versie van de recente geschiedenis van hun land. Cel voor cel komen de verschillende tegenstanders van het regime van toen aan de orde – intellectuelen, journalisten, orthodoxe en rooms-katholieke geestelijken, militairen, verzetsgroepen uit de Karpaten, en politici die tijdens het interbellum een sleutelpositie bekleedden. Zoals Iuliu Maniu, leider van de Nationale Boerenpartij, eerste minister voor de Tweede Wereldoorlog, verbeten tegenstander van de fascistische Roemeense  regering tijdens de oorlog en ook  van het communistische bewind na de oorlog. Hij overleed  in 1953 in cel nummer 9. Maar ook de Securitate, de Roemeense Geheime Dienst (cel 14), de collectivisering (cel 18) en internationale onderwerpen zoals de Conferentie van Jalta  (cel 12), De Praagse lente en Charta 77 (cel 82),  hebben elk een eigen ruimte.

Namenmuur
Namenmuur
De processie van de martelaren
De processie van de martelaren

Bij binnenkomst kijken de gevangenen de bezoeker aan vanaf een lange wand met foto’s. Op een van de twee binnenplaatsen bevindt zich een muur met de namen van 8000 slachtoffers van het regime.[1] Hun nagedachtenis wordt ook geëerd met ‘de processie van de martelaren’, een bronzen beeldhouwwerk van de Roemeense kunstenaar Aurel Vlad:  een groep naakte figuren, wreed verminkt,  de handen ten hemel geheven, de mond opengesperd in afgrijzen.

Toen ik naar de uitgang zocht, troonde een onvermoeibare suppoost mij nog mee naar de duistere isoleercel waar gevangenen die zich ‘misdragen’ hadden, elk besef van tijd en identiteit verloren, en naar de door kaarsen verlichte crypte, die hun nagedachtenis levend houdt. De Raad van Europa heeft in 1998 het museum samen met het Auschwitz-museum en het Normandische Vredesmuseum aangewezen als de drie Instellingen voor het Europese Geheugen.

Monument ter herinnering aan de weggevoerde Joodse inwoners van Sighet
Monument ter herinnering aan de weggevoerde Joodse inwoners van Sighet

Vlak bij de voormalige gevangenis staat een groot gedenkteken voor de door de nazi´s vermoorde Joodse inwoners van Sighet en omstreken. Op de achtergrond groene heuvels, bij het monument treurwilgen, populieren en sparren. Op het middengedeelte van de sokkel figureert, boven het jaartal 1944, een menora, op een plaquette links de Roemeense tekst, met het aantal Joden, 38.000, dat in het voorjaar van 1944 (mei/juni) uit de Maramures door ´Hitlers fascisten´ werd gedeporteerd naar de concentratiekampen. Uit Sighet alleen al ruim 12.0000 mensen. Ook de bevrijding van die kampen door het ‘roemrijke Russische Leger’ wordt vermeld. Op een plaquette rechts, onder een davidsster en het Engelse ´God bless us´, staat dezelfde tekst in het Jiddisch. De inscriptie op het verticale gedeelte van het monument, eveneens in het Jiddisch, luidt :

tzum eywign andenk/ far di qorbones/ funem akhzarishn fashizm/ in Auschwitz

In vertaling:

Ter eeuwige nagedachtenis/van de slachtoffers/van het wrede fascisme/in Auschwitz

In mei 2014 (zeventig jaar na dato) werd de deportatie van de Sighet-Joden nog met gepaste aandacht herdacht, maar nu was het monument  beklad, het gras niet onderhouden, het hek ervoor op slot.

Roemeense tekst op het Joodse monument
Roemeense tekst op het  monument

De deportaties in Sighet werden uitgevoerd door Hongaren:  sinds 1940  stond Transsylvanië en dus ook Sighet opnieuw onder Hongaars bewind, na een korte periode van hereniging met Roemenië tijdens het interbellum. Al in 1941 werden ruim 20.000 Joden, die niet konden bewijzen dat ze de Hongaarse nationaliteit hadden, naar Galicië gedeporteerd en tijdens massa-executies vermoord. Moshe, de koster van een van de synagoges, die de jonge Wiesel voor de oorlog inwijdde in de beginselen van de joodse mystiek, wist te ontkomen, keerde terug naar Sighet en probeerde zijn geloofsgenoten te overtuigen van de noodzaak om te vluchten. Zij versleten hem voor gek en brachten de oorlog in betrekkelijke rust door totdat de Duitsers in maart 1944 ook Hongarije bezetten. Eind april 1944 bezocht een delegatie van nazi’s, onder wie Adolf Eichmann, Sighet om de situatie in de twee kort daarvoor ingerichte ghetto’s in ogenschouw te nemen. Ruim een maand later voltrok zich onder leiding van de Hongaarse politie in luttele dagen de deportatie van duizenden mensen. ‘Hitlers fascisten’ waren in het geval van Sighet niet alleen nazi’s maar ook Hongaren.

In Sighet werd bij de razzia’s ook Elie Wiesel samen met zijn ouders en drie zusjes opgepakt en gedeporteerd.  Hoe het er in het voorjaar van 1944 in Sighet aan toeging, beschrijft Wiesel in het eerste hoofdstuk van zijn boek Nacht dat hij in het Jiddisch schreef en in 1956 in Argentinië publiceerde. In 1959 verscheen een aanzienlijk ingekorte Franse versie, La Nuit, bij de Parijse uitgeverij Minuit, in 1960 de Engelse vertaling in Groot- Britannie en de Verenigde Staten. Wiesels orthodox joodse familie was van Hongaarse afkomst, de politie-agenten die hen naar het station dreven waren ook Hongaren. Zij scholden zijn kleine zusje uit omdat ze niet vlug genoeg liep. ‘Ik begon hen te haten’, schrijft Wiesel in Nacht, ‘en tot op de dag van vandaag is haat de enige emotie die mij met hen verbindt. Zij waren onze eerste onderdrukkers. De eerste gezichten van de hel en de dood’.

Geboortehuis van Elie Wiesel
Geboortehuis van Elie Wiesel

Wiesel, die in 1986 de Nobelprijs voor de vrede ontving, en zich zijn leven lang beijverd heeft om de herinnering aan deze periode van de geschiedenis levend te houden, leidde een commissie die in 1984 een rapport uitbracht over de betrokkenheid van de Roemeense overheid bij de vervolging van Joden en Roma tijdens de oorlog. Zijn geboortehuis is ook als museum ingericht, met door de kleine naoorlogse joodse gemeenschap van Sighet bijeengebrachte meubels en voorwerpen, en met financiële steun van de Elie Wiesel Foundation for Humanity. In de eetkamer staat een gedekte tafel; zo kan de bezoeker zich anno 2016 een voorstelling maken van een Joodse woning aan de vooravond van de razzia’s in het stralende voorjaar van 1944. Wiesel keerde in 2002 terug naar Sighet om het museum, het Elie Wiesel Memorial House, te openen. In 2014 werd in zijn geboortehuis het eerste Roemeense Holocaust Memorial Centrum geopend.

P1020775
Plaquette binnenplaats geboortehuis van Elie Wiesel

Op de binnenplaats van dit huis bevindt zich eveneens een plaquette waarop een tekst in het Roemeens en het Engels: ‘The Holocaust Memorial in remembrance of the thousands of Jewish victims of the Northern Transsylvania-Maramures region during World War II under Hitlers en Horthy’s regime’. Wat op het eerder opgerichte gedenkteken voor de joodse slachtoffers schuil ging onder de overkoepelende term ‘Hitlers fascisten’, wordt op de uit 2014 daterende plaquette in Wiesels huis niet langer verhuld. Horthy was sinds 1918 staatshoofd van Hongarije. En hoewel hij in oktober 1944 door de nazi’s tot aftreden werd gedwongen, viel de anti-joodse wetgeving en de deportaties van de Hongaarse en Roemeense Joden en Roma, waarvan er trouwens al een aantal in 1941 plaats vond, onder zijn verantwoordelijkheid.[2] Van de tijdens het communisme verplichte saamhorigheid met het buurland was in 2014 kennelijk niet veel meer over, in ieder geval stond deze een openlijke verwijzing niet langer in de weg. De vermelding van het Russische leger, dat op het aparte herdenkingsmonument voor de Joodse slachtoffers zo nadrukkelijk genoemd staat, sneuvelde eveneens. Auschwitz werd bevrijd door de Russen, maar Buchenwald, waar Wiesel uiteindelijk, na een van de beruchte dodenmarsen uit Auschwitz, terechtkwam, door de Britten. Dat zich onder ‘Hitlers fascisten’ ook Roemenen bevonden – zo werd de omvangrijke Joodse bevolking van de nu Oekraïnse stad Czernowicz, die van 1940 tot 1945 Roemeens was,  eveneens gedeporteerd – wordt in Sighet niet expliciet vermeld.

Volgens Ana Blandiana kan men zich het in  Sighet, ‘een kleine stad in vergelijking met Berlijn’, niet veroorloven ‘om verschillende groepen slachtoffers te onderscheiden, om ons geheugen te compartimenteren, en het zou verschrikkelijk zijn om het lijden van onze buren [de Joden] te bagatelliseren om ons eigen lijden te benadrukken, want als gerechtigheid geen herinnering kan worden dan kan alleen de herinnering  gerechtigheid worden’.

Toch leek de staat van het Holocaustgedenkteken, zoals ik het dit voorjaar aantrof, erop te wijzen dat dat gezamenlijk herdenken niet altijd goed lukt. Het verschil met het goed onderhouden Nationaal Museum, dat tegenwoordig ook door onder meer Trip-advisor als bezienswaardigheid wordt aangeraden,  was pijnlijk.  De enig overgebleven negentiende-eeuwse synagoge was mooi gerestaureerd maar eveneens hermetisch gesloten, net zoals het restaurantje met kosjere gerechten. Sighet telt nog slechts enkele tientallen Joodse inwoners en een meervoud daarvan aan mensen die de ellende van het communistische regime aan den lijve hebben ondervonden. Maar los van een dergelijke praktische verklaring blijft de steeds weer opnieuw gestelde vraag: Kunnen verschillende soorten vervolgingen wel samen herdacht worden, en kunnen die verschillende geschiedenissen wel onder één noemer worden gebracht?

[1] Het totale aantal slachtoffers van het communistische bewind is vele malen groter.

[2] De huidige rechtse premier van Hongarije, Victor Orban, is een bewonderaar van Miklos Horthy en heeft in een poging om diens betrokkenheid bij de Holocaust te relativeren, in 2011 de vaste tentoonstelling in het Holocaustmuseum in Boedapest gecensureerd. De  tentoonstelling van het internationaal geprezen museum zou te negatief zijn geweest over de rol van de autoritaire Miklos Horthy.

Literatuur:

Robert D. Kaplan, In Europe’s shadow, Penguin 2016.

Romulus Rusan, ‘Le système répressif communiste en Roumanie’,  Victor Courtois (éd.), Du passé faisons table rase ! Histoire et mémoire du communisme en Europe, Parijs, Laffont, 2002, 369-443.

Elie Wiesel, La Nuit, Parijs, Minuit, 1958 ; Night, Penguin, 1960 ;  Nacht, Amsterdam, Meulenhoff,  2014.

.