Tagarchief: [:nl]Proust[:]

Marcel Proust Aujourd’hui no 15: Proust et l’argent

MPA 15 9789004383999Marcel Proust Aujourd’hui no 15:  Proust et l’argent  (Sjef HouppermansManet van MontfransAnnelies Schulte NordholtSabine van Wesemael and Nell de Hullu-van Doeselaar, red.), Leiden, Brill, november 2018

Chez Proust, l’argent est beaucoup plus que l’argent, il devient véhicule de passions, de pulsion, d’excès. Loin de se limiter à la dimension sociologique du roman, il  joue un rôle à d’autres niveaux: esthétique, imaginaire, mais surtout affectif, dans le motif récurrent du don. Dans une série de huit études , le dossier thématique de la revue  Marcel Proust Aujourd’hui no 15 éclaire les diverses facettes de cet imaginaire de l’argent, qui s’infiltre dans les relations humaines ainsi que dans l’art.

Link: https://brill.com/view/serial/MPA

Bulletin Marcel Proust Vereniging 8, 2018

Manet van Montfrans & Wouter van Diepen (red.), Bulletin Marcel Proust Vereniging, no 8.    Amsterdam, De Boekdrukker, 2018.

Binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij een herziene en geannoteerde uitgave van de vertaling door Thérèse Cornips van A la recherche du temps perdu.  Eindelijk zal Prousts roman weer in zijn geheel voor het Nederlandse publiek toegankelijk zijn.

Dit nummer van het Bulletin van de Nederlandse Marcel Proust Vereniging gunt de lezer alvast een blik in het laboratorium van de annotaties en het bronnenonderzoek die hem door het doolhof van verwijzingen naar de historische en culturele achtergrond van de Recherche zullen loodsen. Ook de geheimen van dat andere bijna klassieke struikelblok bij de lectuur van de Recherche,  ‘de lange zin’, worden ontraadseld.

Suggesties voor een zijpad tijdens het lezen van de Recherche bieden de beschouwingen over kunstenaars als Van Dongen en Schlöndorff die Prousts meesterwerk  in hun eigen vormentaal durfden weer te geven zonder daarbij hun inspiratiebron tekort te doen – Van Dongen in zijn kleurige aquarellen, Schlöndorff in zijn verfilming van Un amour de Swann. Of het vraaggesprek met violiste Maria Milstein die samen met haar zuster de pianiste Nathalia Milstein recent enkele composities vertolkten die Proust bij het schrijven over muziek hebben geïnspireerd.

‘Uitgaan van wat je liefhebt’, is niet alleen het adagium van Maria Milstein maar van alle medewerkers aan dit nummer geweest.

Inhoudsopgave

Wouter van Diepen, Manet van Montfrans

Inleiding

 Annelies Schulte Nordholt

Jaarverslag 2017

Charlotte Vrielink

De abstractie overwonnen? Kees van Dongen als illustrator van de Recherche

 Annelies Schulte Nordholt

Volker Schlöndorffs Un amour de Swann opnieuw bekeken

 Ieme van der Poel

Menselijke dierentuinen en Nesselrode-pudding. Kanttekeningen bij de annotatie van de Nederlandse vertaling van A l’ombre des Jeunes Filles en Fleurs

 Sjef Houppermans

Van Zaragoza tot Verdun. De geschriften van Luc Fraisse

 Nell de Hullu-van Doeselaar

De lange zin bij Proust: bekroning of bravoure

 Camiel van Woerkum

Een complexe wereld vraagt om een complexe zin. Een Spitzeriaanse analyse van de Proustiaanse ‘période’

 Wouter van Diepen

Uitgaan van de muziek die je liefhebt. Een gesprek met Maria Milstein

MPV_bulletin_nr8_cover (29-09-2018)

Proust in de Lage Landen: Viering van het 45-jarig bestaan van de Marcel Proust Vereniging

Met Proust in Haarlem

Marcel Proust (1871-1922) maakte in zijn leven slechts enkele buitenlandse reizen. In de zomer van 1893 verbleef hij in het mondaine Sankt Moritz en in het voor- en najaar van 1900 bracht hij een maand door in Venetië. In oktober 1898 bezocht hij in Amsterdam de grote Rembrandt-tentoonstelling die ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina was georganiseerd. In oktober 1902 reisde hij via Brugge (tentoonstelling van Vlaamse Primitieven), Antwerpen, Dordrecht en Delft naar Amsterdam.* Vanuit Amsterdam, waar hij in het Hotel de l’Europe logeerde, maakte hij een dagtochtje met een trekschuit naar het schildersdorp Volendam, ging hij naar Den Haag om Het gezicht op Delft van Vermeer te bewonderen en naar Haarlem voor de Frans Hals collectie. In het Louvre had Proust al een grote bewondering opgevat voor Rembrandt, Pieter de Hooch en Ruysdaël. Hij was echter van mening dat een schilderij aan betekenis wint als je het ziet in de omgeving waarin het gemaakt is. Proust bekeek Nederland dan ook ter plekke door de bril van de schilders van de Gouden Eeuw en trad daarbij in de voetsporen van zijn landgenoot Eugène Fromentin (Les Maîtres d’autrefois) en  vele andere Europeanen voor wie een verblijf in Nederland net zulke verplichte kost was als de Italië-reis. Vanaf 1909/1910, toen hij begon te werken aan zijn grote roman A la recherche du temps perdu, sloot Proust zich op in zijn werkkamer annex slaapvertrek aan de boulevard Haussmann, waar hij tot 1919 woonde. De indrukken die hij tijdens zijn reizen had opgedaan werden daar tijdens het schrijfproces ingesponnen in een ingenieus web van motieven en verwijzingen waarin Rembrandt en Vermeer een prominente rol spelen. Ik noem de beroemde scène waarin Proust de schrijver Bergotte laat sterven tijdens een bezoek aan een tentoonstelling van Vermeer in het Jeu de Paume. ‘Zo zou ik heb moeten schrijven’, verzuchtte Bergotte bij het aanschouwen van Het gezicht op Delft, en blies de laatste adem uit.

Maar ook Prousts bezoek aan Haarlem heeft zijn sporen in de Recherche nagelaten. Tijdens een diner bij de hertog en hertogin de Guermantes komt het gesprek op de schilderkunst en laat de verteller zich ontvallen dat hij op zijn reis langs de musea van de Lage landen Haarlem heeft overgeslagen. De hertogin, die haar eigen portret door de schilder Elstir  een gelijkenis vindt vertonen met De regentessen van het gasthuis van Frans Halsreageert hierop verontwaardigd. ‘Wat, u hebt een reis naar Nederland gemaakt en u bent niet in Haarlem geweest? Maar, al had u maar een kwartier de tijd gehad, het is iets buitengewoons om de schilderijen van Frans Hals te hebben gezien. Ik zou willen zeggen – al kreeg je ze maar te zien vanaf een dubbeldekstram zonder te stoppen, stel dat ze buiten waren tentoongesteld, dan zou  je je ogen wagenwijd moeten openzetten’.  Een opmerking die de verteller in staat stelt het snobisme van het aristocratische milieu belachelijk te maken, en tegen te werpen dat bij het bekijken van kunst je oog niet eenvoudig een registrerend apparaat is dat momentopnamen maakt. (De kant Van Guermantes, De Bezige Bij, 2004, 547-548).

Tijdens  haar recente drie lustra volgde de Marcel Proust Vereniging (opgericht in 1972) Proust op zijn tocht door Nederland: na Delft (2007) en Dordrecht (2012),  koos zij voor de viering van haar vijfenveertigjarig bestaan op 27 november 2017 Haarlem.  Bij de rondleiding door het Frans Hals museum bleken de Regentessen van het Gasthuis zich in het restauratieatelier te bevinden, zodat de deelnemers het,  voor zover het deze bron van Proust betrof,  op hun i-phone waren aangewezen.

Frans Hals - De regentessen van het oudemannenhuis (1664)
Frans Hals – De regentessen van het oudemannenhuis (1664)

 

 

 

 

 

 

 

Het recital met liederen van Prousts apollinaire-de-karper-la-carpe-doormantijdgenoten  (Fauré, Saint Saëns, Franck e.a.) ‘Extase of spijt: Tijd die stil staat, of verglijdt’‘door Vera Ramer (sopraan) en Peter van de Kamp (pianist) deed de verschillende speculaties over de inspiratie van la petite phrase de Vinteuil  de revue passeren. Wie zich teveel dreigde te laten meeslepen door melancholie werd door het  ironische karper-lied van Poulenc uit zijn gronderige stemming gehaald. (www.youtube.com/watch?v=bDP56XRlJB8)

*Zie hierover ook Marcel Proust Aujourd’hui no 10 (2011), waarin deze en andere aspecten van Prousts Voyage en Hollande worden belicht door een internationaal gezelschap van Proust-specialisten. Zo bleek bijvoorbeeld uit de studie van de manuscripten dat Amsterdam in de eerste versies van de Recherche nog een idyllische droombestemming was waarin liefde en kunst hand in hand gingen. In de definitieve versie is de droom een nachtmerrie geworden: de ik-figuur maakt in zijn door ziekelijke jaloezie gevoede verbeelding van Amsterdam een oord van verderf, een waar ‘Sodom’, waar zijn geliefde, Albertine, hem ontrouw is geweest of zal worden. Via een omweg wordt Albertine geassocieerd met de Bethsabee van Rembrandt die op het punt staat op de avances van  Koning David in te  gaan en haar echtgenoot te verraden.

Proustiaanse ontdekkingsreizigers

15284908_771243143014840_4696310774460525683_n1Manet van Montfrans, ‘Proustiaanse ontdekkingsreizigers: Edward Bizub en Luc Fraisse op zoek naar de bronnen van de Recherche’, Bulletin Marcel Proust Vereniging, nummer 7, Amsterdam, De Boekdrukker, 2016, 59-74.

In de Recherche wijdt Prousts Verteller op strategische plaatsen een aantal bespiegelingen aan het geheugen, bijvoorbeeld aan het begin (De kant van Swann) en aan het slot (De tijd hervonden). De werking van het geheugen biedt tevens de stof voor het verhaal. De rol die Proust toekent aan het ‘onwillekeurige geheugen’ bij het hervinden van het verleden is overbekend. En ook het onderscheid dat hij maakt tussen het ‘maatschappelijke ik’ en het ‘diepe ik’, en tussen de ‘verloren tijd’ en de ‘hervonden tijd’. Maar waar komen de ideeën achter die voor zijn lezers al bijna afgesleten termen vandaan? Zijn ze oorspronkelijk of heeft Proust zich bij de uitwerking ervan laten inspireren door voorgangers en/of tijdgenoten? En als dit laatste het geval is, aan wie is Proust dan schatplichtig en hoe is hij met die schatplichtigheid omgegaan?

Link: www.marcelproust.nl (archief Bulletin nr. 7)

Bewegende beelden van Marcel Proust

Jean-Pierre Sirois-Trahan (Universiteit van Laval, Québec) vond onlangs in de archieven van het Centre National du Cinéma (CNC) filmopnames  van de bruiloft van Elaine Greffuhle met hertog Armand de Guiche, op 14 november 1904. Elaine was de dochter van graaf en gravin  Greffuhle, haar moeder stond model voor de figuur van Oriane de Guermantes in de Recherche. Te midden van de gasten die zich  hebben verzameld in de Madeleine en de trappen aflopen op weg naar het paviljoen waar het huwelijk zal worden gesloten, bevindt zich een man in grijze overjas en met bolhoed. Haastig probeert hij  de volgens het gangbare ceremonieel opgestelde stoet  te passeren.  Het is Marcel Proust. Drieëndertig jaar oud, goed bevriend met de bruidegom maar op het gefilmde moment kennelijk niet bereid om in ‘de pas’ te lopen.[1] Precies negen jaar later, op 14 november 1913, verscheen het eerste deel van de Recherche, waarin Prousts verteller zijn herinnering beschrijft aan zijn eerste ontmoeting met de hertogin de Guermantes tijdens een trouwplechtigheid in de kerk van Combray. Misschien geïnspireerd door de herinnering aan de mondaine gebeurtenis van 1904 en zijn ambivalente gevoelens tegenover de gesloten wereld van de adel van de Faubourg Saint-Germain.

De verteller ziet Mme de Guermantes in zijn herinnering voor zich tijdens de trouwplechtigheid van de dochter van dokter Percepied, in een kapel van de Saint Hilaire kerk, en ‘vooral tijdens de receptie in de sacristie die af en toe door de warme zon van een winderige onweersdag verlicht werd en waar Mme de Guermantes zich temidden van al die mensen van Combray bevond, van wie zij de namen niet eens kende, maar waarvan de inferioriteit te zeer haar eigen voortreffelijkheid aan het licht bracht, dan dat zij geen oprechte welwillendheid voor hen zou voelen en die zij bovendien door beminnelijkheid en eenvoud nog eens te meer hoopte te imponeren.’ (De kant van Swann, Vert. Thérese Cornips, De Bezige Bij, 2004, 229-230)

We kennen Proust van een aantal foto’s. Beroemd is het portret dat Jacques -Emile Blanche van hem schilderde. Maar hem zich te zien bewegen in de beau monde, al is het maar drie seconden, te midden van de adel die hij zo ongenadig en met veel humor in zijn Recherche zal portretteren, brengt hem even heel dichtbij.

[1]´Le pas´: de voorgeschreven orde waarin de adel defileerde.

Sirois-Trahan schreef een artikel over  zijn ontdekking : « Un spectre passa…. Marcel Proust retrouvé », Revue d’études proustiennes, n° 4, 2016 – 2, Proust au temps du cinématographe : un écrivain face aux médias, p. 19-30. https://www.classiques-garnier.com/editions.

Voor het filmpje zie: https://youtu.be/51COHIgjbYU

Bulletin Marcel Proust Vereniging 7, 2016

15284908_771243143014840_4696310774460525683_n1Manet van Montfrans & Wouter van Diepen (red.), Bulletin (7) van de Marcel Proust Vereniging Nederland, Amsterdam, De Boekdrukker, 2016.

Voor Proust had lezen alleen zin als het hem aanzette tot eigen creativiteit.  En misschien is de beste manier om vertrouwd te raken met A la recherche du temps perdu ook wel om dit werk te vertalen of erover te schrijven. Aan studies over Proust ontbreekt het niet, maar toch daagt zijn werk telkens weer uit tot zelf nadenken en formuleren.

De medewerkers aan dit nummer van het Bulletin van de Nederlandse Marcel Proust Vereniging, vertalers én schrijvers, hebben de handschoen opgenomen. Of ze nu persoonlijk of meer beschouwend schrijven, allemaal hebben ze een onderwerp gekozen dat hun ter harte gaat: de Recherche als remedie tegen hopeloze verhoudingen of als voorbode van de relativiteitstheorie, de telefoonscènes als variaties op de mythe van Orpheus en Euridice, de controverse van Proust met Bergson, Chantal Akermans verfilming van de verstikkende jaloezie in De gevangene.

Met de dood van Thérése Cornips is de stem van een van Prousts grote twintigste-eeuwse vertalers verstomd. Zij wordt in dit Bulletin herdacht.

Met bijdragen van Freek Bakker, Amadeu Cuito, Wouter van Diepen, Egbert Dommering, Sjef Houppermans, Nell de Hullu, Janneke van der Meulen, Manet van Montfrans, Jelle Noorman,  Annelies Schulte Nordholt, Sabine van Wesemael.

Link: www.marcelproustvereniging.nl

Sensations proustiennes

MPA 13 96904Ce numéro 13 de Marcel Proust Aujourd’hui, ‘Sensations proustiennes’ (novembre 2016), regroupe une dizaine d’articles, en français, traitant de de la notion de ‘sensation’ sous plusieurs perspectives : une recherche basée sur la sémiotique et la phénoménologie ; une approche partant des portraits de peintres dans Les Plaisirs et les Jours ; une étude de l’ivresse ; la chambre en tant qu’espace générateur d’une part, polysignifiant de l’autre ; l’érotisme d’Albertine, ainsi que la transposition des sensations dans le domaine du cinéma. En plus des études sur ‘le roman noir’, sur les modalités de la traduction et sur le dynamisme des titres chez Proust complètent ce panorama.

Dying for time. Proust, Woolf, Nabokov

Bespreking van Martin Hägglund, Dying for Time. Proust, Woolf, Nabokov, Harvard University Press, Cambridge,  Publicaties | Nexus Instituut Leestafel, 2014.

De Zweedse filosoof en literatuurwetenschapper Martin Hägglund (1976) verwierf in 2008 bekendheid met de studie Radical Atheism: Derrida and the Time of Life. Uit de titel blijkt al de strekking van het boek: Hägglund ziet Derrida als een denker voor wie er buiten het sterfelijk leven niets is, en neemt daarmee stelling tegen de pogingen van bijvoorbeeld de filosoof John D. Caputo om de ideëen van de in 2004 overleden Frans-Algerijnse filosoof in een religieus kader te plaatsen.

In Dying for Time gaat Hägglund opnieuw in tegen de filosofische traditie die, van Plato tot Freud en Lacan, angst voor de dood en de eindigheid doet voortkomen uit een verlangen naar onsterfelijkheid, naar een staat van zijn die niet aan verandering onderhevig is. Volgens Hägglund verlangen we helemaal niet naar onsterfelijkheid; integendeel, onze angst voor de dood komt voort uit onze gehechtheid aan het eindige leven. Zijn hoofdargument is dat verlangen altijd is gebonden aan tijd. Als er geen tijd zou zijn, zou er geen verlangen mogelijk zijn. Ons verlangen ontstaat en wordt onderhouden door het besef dat de dingen waar we om geven, verloren kunnen gaan. Vervulling van het verlangen is niet onmogelijk, maar wel noodgedwongen tijdgebonden. En op het moment waarop vervulling plaatsvindt, dreigt al het verlies.

Link : https://www.nexus-instituut.nl/leestafel/329-dying-for-timeMartin Hägglund

Bulletin Marcel Proust Vereniging 6, 2014

Manet van Montfrans & Wouter van Diepen (red.) , Bulletin (6) van de Marcel Proust Vereniging Nederland, Amsterdam, Rodopi, 2014.

Wereldwijd was 2013 een hoogtepunt wat Proust betreft: precies honderd jaar geleden verscheen Du côté de chez Swann. Hoe was het om in 1913 het eerste deel van de Recherche te lezen? We kennen de zeer uiteenlopende reacties van Prousts eerste lezers maar ons werkelijk verplaatsen in de kennis, het gemoedsleven en de verwachtingen van een lezer uit de Belle Epoque is moeilijk. Wel kunnen we achterhalen hoe onze tijdgenoten Prousts romancyclus lezen.  Dit nummer bevat  de bespiegelingen van een aantal hedendaagse bewonderaars van Proust:  Joep Leerssen, Ad van der Made, Manet van Montfrans, Gijs van der Zalm, Nell de Hullu, Frans Jacobs, Nelly Moerman,  Annelies Schulte Nordholt en Sjef Houppermans.

Link: www.marcelproust.nl

Perec, Roussel et Proust: trois voyages extraordinaires à Venise

Résumé
L’oeuvre de Perec comporte de nombreuses références à celle de Proust. Mais loin de se précipiter sans réserves dans les bras de son grand prédecesseur, Perec fait preuve d’une ambiguïté constante à son égard. Par contre, Raymond Roussel, contemporain de Proust, compte avec Flaubert, Jules Verne, Kafka, Queneau et Leiris, parmi les auteurs inconditionnellement admirés par Perec. Dans l’essai pseudo-scientifique, « Roussel et Venise. Esquisse pour une géographie mélancolique», écrit par Perec en collaboration avec Harry Mathews, les deux auteurs oulipiens ont enrichi la biographie de Roussel d’un épisode imaginaire qui se déroule à Venise. Cet essai est beaucoup plus qu’un pastiche de critique biographique ou un exposé ludique sur les procédés de Roussel. Perec y a encrypté son autobiographie, et en particulier la place qu’y occupent ses voyages à Venise. Or, on s’en doute bien, dans l’oeuvre de Perec, Venise représente tout autre chose que dans celle de Proust. Par le biais de Roussel, Perec reprend et subvertit une fois de plus de manière ludique les leçons de Proust1.

Lien: http://associationgeorgesperec.fr/IMG/pdf/montfrans.pdf

Pour citer cet article: Manet van Montfrans, (2009). Perec, Roussel et Proust: trois voyages extraordinaires à Venise. In Marcel Proust Aujourd’hui, 7, 139-157.