Categorie archief: Blogpagina

Georges Perec, L’oeuvre-monde

179351970_1240166096415347_7854938937295992435_n

Op 20 mei verschijnt bij uitgeverij Venternier n° 14 van de Cahiers Georges Perec: ‘Perec: l’œuvre-monde’. Ruim 30 bijdragen over ‘Perec als schrijver zonder grenzen': de invloed van schrijvers als Bioy Casares, Calvino, Melville, Sterne in zijn werk, de verwantschap van Auster, Kousbroek, Murakami en Sebald met Perec, brieven uit de correspondentie met zijn Duitse vertaler Eugen Helmlé, illustraties uit de animatiefilm van Clarence Stiernet: ’11, rue Simon-Crubellier. Qui est là?’ en nog veel meer. Voorinschrijving is mogelijk en zou, gezien de precaire huidige situatie van de Franse uitgeverij, een welkome steun zijn: https://www.lesventerniers.com/product-page/perec-l-%C5%93uvre-monde-cahier-georges-perec

Cahiers Georges Perec n° 14

Perec : l’œuvre-monde

Sommaire

Textes réunis et présentés par Raoul Delemazure, Éléonore Hamaide-Jager, Jean-Luc Joly et Emmanuel Zwenger

 Un œuvre-monde, un écrivain sans frontières

–Emmanuel Zwenger : Perec ou l’espace rêvé d’une littérature mondiale

–Tonia Raus : Le voyage de Bartlebooth ou le tour de son Monde

–Maxime Decout : Perec chez les Englès

–Eric Lavallade : En terre étrangère. Etude de quelques références étrangères dans Les Revenentes (langues, pays, références littéraires)

–Marc Caplan : Quitte ou double : l’effacement du discours et de la langue juifs dans W ou le souvenir d’enfance

–Marc Parayre : « Jawol, I said » : ou quand, chez Perec, le lipogramme déteint sur les langues étrangères…

–David Bellos : Georges Perec dans le monde anglophone de 1965 à 2000

–Michaël Ferrier : Japon mode d’emploi. Perec et le Japon

–Haruo Sakazume : Le Japon dans le chapitre III de La Vie mode d’emploi

–Jelena Novakovic : « L’opinion publique française et la Guerre d’Algérie » de Perec dans le contexte de son aventure yougoslave

Clarence Stiernet, « 11 rue Simon-Crubellier : qui est là ? »

chapitre 60

  1. Des amitiés étrangères

–Des amitiés étrangères : présentation des documents

–Georges Perec et Eugen Helmlé : trois lettres

Clarence Stiernet, « 11 rue Simon-Crubellier : qui est là ? »

chapitre 51

–Georges Perec et Harry Mathews : corrections pour La Vie mode d’emploi

      –fac similé

–transcription

Clarence Stiernet, « 11 rue Simon-Crubellier : qui est là ? »

Valène

  • Perec et des écrivains étrangers

–Mariano d’Ambrosio : Perec et Sterne

–Eddis Miller : Un homme inutile : Perec et Bartleby

–Raoul Delemazure : Perec lecteur de Kafka

–Francesca Dainese : Svevo et Perec : Histoire d’une confession mensongère

–Shuichiro Shiotsuka : Bioy Casares, source de l’imaginaire lipogrammatique

–Priya Wadhera : Les copies originales chez Perec et Warhol

–Severina Chi-Lin Hsu : Perec/Calvino, caché et découvert

Clarence Stiernet, « 11 rue Simon-Crubellier : qui est là ? »

chapitre 87

  1. Des écrivains étrangers et Perec

–Manet van Montfrans : Filiations perecquiennes néerlandaises. Rudy Kousbroek  et Georges Perec : affinités électives

–Jean-Luc Joly : Georges Perec et Paul Auster : une troisième musique du hasard

–Isabelle Dangy : Perec/Murakami

–Nozaki Kan : Dans la marge des mondes parallèles : Haruki Murakami et Georges Perec

–Paula Klein : Échos perecquiens dans la littérature argentine : de Cortázar aux écritures « non créatives » contemporaines

–Haydée Silva : GP + MX = X : poser/penser l’inconnue perecquienne au Mexique

–Vinicius Gonçalves Carneiro : Poésie de refus et plagiat par anticipation chez Georges Perec et Augusto de Campos

–Dominique Raymond : Je me souviens. Regard sur l’intertexte perecquien dans la littérature québécoise

–Margareth Amatulli : De l’écrit à l’écran : Georges Perec et le cinéma italien

–Éléonore Hamaide-Jager : Zeina Abirached et Perec : une écriture sous influence, de l’ignorance à la revendication

Clarence Stiernet, « 11 rue Simon-Crubellier : qui est là ? »

 chapitre 52

  1. Etudes comparatistes

–Emmanuel Zwenger : La vie sensible de la mémoire dans Récits d’Ellis Island de Georges Perec et Les Émigrants de Winfried Georg Sebald

–Nurit Lévy : Les allégories des camps de concentration et des ghettos dans W ou le souvenir d’enfance de Georges Perec, Badenheim 1939 d’Aharon Appelfeld et Le Voyage d’Anna Blume de Paul Auster

–Evelyne Clavier : Samuel Beckett et Georges Perec : comment dire le monde totalitaire. Du Dépeupleur (1970) à W ou le souvenir d’enfance (1975)

Clarence Stiernet, « 11 rue Simon-Crubellier : qui est là ? »

l’ensemble des personnages

 

Prix Renaudot voor Marie-Hélène Lafon

De prix Renaudot 2020 is op 2 december toegekend aan Histoire du fils (Buchet-Chastel) van Marie-Hélène Lafon. Voor haar eerste roman, Le soir du chien, ontving ze in 2001 al de Prix Renaudot des lycéens. Daarna publiceerde ze een tiental romans en bundels korte verhalen, waaronder L’annonce en Les pays. Deze laatste roman, in 2012 bekroond met de Prix du style, gaat over de overgang van de onherbergzame, hooggelegen Cantal naar de wereldstad Parijs, de twee plaatsen waartussen de hoofdpersoon Claire zich beweegt. In 2016 werd de bundeling van haar korte verhalen, Histoires (2015) bekroond met de Prix Goncourt de la nouvelle.
Lafon werd in 1962 geboren in Aurillac in de Cantal, als tweede dochter in een boerengezin. In 1980 vertrok ze naar Parijs voor een studie klassieke talen. Haar keuze voor de zogeheten dode talen is opmerkelijk: haar eigen moedertaal, het occitan, wordt ook bijna niet meer gesproken. Lafon’s romans en korte verhalen zijn verankerd in de werkelijkheid van een plattelandswereld die al meer dan een halve eeuw in een langgerekt stervensproces verkeert. Haar personages zijn zwijgzaam en komen tot leven in hun gebaren, hun fysieke voorkomen.
‘Ecrire à la lisière’, schrijven op de grens, dat is wat Lafon doet, in sober en suggestief proza. Tot haar grote voorgangers rekent zij Pierre Bergounioux (Miette, 1995) en Pierre Michon (Vies minuscules, 1984). Katelijne de Vuyst vertaalde Histoire du fils als Geschiedenis van de zoon voor Uitgeverij Vleugels. Hopelijk vindt deze meerdere malen bekroonde schrijfster nu ook in Nederland haar publiek.

Verwante teksten

  • Pierre Michon, Vies minuscules, Gallimard, 1984
  • Pierre Bergounioux, Miette,  Gallimard, 2001
  • Pierre Jourde, Pays perdu, Ed. L’esprit des péninsules, 2003
  • Raymond Depardon, Paysans,  Seuil, Points, 2009
Image may contain: 1 person, close-up

Le roi vient quand il veut: een nieuwe roman van Pierre Michon in 2020

In een interview in Le Monde van 24 juli vertelt Pierre Michon dat hij de laatste hand legt aan een ‘liefdesverhaal’, een roman van 500 pagina’s die hij in de herfst bij zijn uitgever Gallimard zal deponeren. Het is een bericht dat Michons lezers zal verheugen maar ook verbazen. Het is al elf jaar geleden dat Les Onze (De elf) verscheen, het buitengewoon beeldende verhaal over een fictief groepsportret van de hoofdrolspelers van de Franse Revolutie. Het boek werd bekroond met de Grand Prix de l’Académie française, Michon kreeg nog meer roem dan hij al had, maar heeft daarna het geduld van zijn publiek meer dan een decennium op de proef gesteld : ‘De koning komt wanneer het hem behaagt’, zoals de titel van een verzameling vraaggesprekken met hem luidt. En dan nu 500 pagina’s van een schrijver die zijn stof altijd zo verdichtte dat hij er nooit meer dan 200 vulde. Over liefde. En ‘heel eigentijds’.
Hieronder: Michon leest Les Onze in Cerisy-la-Salle (2009)

Image may contain: 1 person

Faux pas van Proust

Faux pas van Proust

Onlangs verscheen in de « Bibliothèque proustienne » bij de Éditions Garnier een nieuwe studie van  Proustspecialist Edward Bizub : Faux pas sur les pavés, Proust controversé suivi de Beckett et Quignard à contre-pied. Eerder schreef Bizub in La Venise intérieure et la poétique de la traduction (Genève 1991) over de rol die Prousts vertalingen van het werk van John Ruskin bij het ontstaan van de Recherche speelden. In Proust et le moi divisé (Genève 2006) houdt hij Prousts onderscheid tussen het ‘maatschappelijke’ en het ‘diepe ik’  tegen het licht van de ontwikkelingen binnen de Franse psychologie tussen 1874 en 1914. In zijn recente publicatie keert hij terug naar de struikeling van de verteller over het oneffen plaveisel van de binnenplaats van het Guermantes-hôtel. Die misstap roept de gewaarwording op die de verteller destijds, in gezelschap van zijn moeder, op twee ongelijke tegels in de doopkapel van de San Marco had ervaren, en luidt een reeks vergelijkbare spontane herinneringen in. In het slotdeel van de Recherche vormen deze herinneringen de opmaat voor het eindelijk hervinden van de ‘verloren tijd’ en daamee van het geloof van de verteller in zijn schrijversroeping. Bizub laat zien hoezeer de verschillende filosofische en psychoanalytische interpretaties (Beckett, Compagnon, Deleuze, Kristeva, Deleuze) van deze cruciale scène uiteenlopen. Ook onthult hij waarom Prousts opvatting van het ‘diepe ik’ geen genade heeft gevonden in de ogen van Freud. Dat Proust Freud niet gelezen heeft, mag zo langzamerhand wel als bekend verondersteld worden, maar dat het omgekeerde wel het geval is geweest, is tot dusverre onderbelicht gebleven.

Bulletin Marcel Proust Vereniging 2019

 Bulletin van de Marcel Proust Vereniging, nr 9. De Boekdrukker 2019, 84 p.(red. Wouter van Diepen en Manet van Montfrans)

Bulletin nummer 9 omslagOp 10 december 1919 werd de Prix Goncourt uitgereikt aan Proust voor zijn Jeunes filles en fleurs. Dat niet Roland Dorgelès de prijs won met zijn loopgravenroman Les Croix de bois maar Proust met het tweede deel van zijn romancyclus over een lang vervlogen tijd, veroorzaakte de nodige ophef. Hoezeer zij het met de uitverkiezing van Proust aan het rechte eind had, kon de toenmalige jury niet vermoeden. Honderd jaar later wordt de Recherche nog steeds gelezen, opnieuw vertaald en opnieuw uitgegeven.

Daarnaast putten ook jongere generaties auteurs weer inspiratie uit dit fabelachtige hoogtepunt van de twintigste-eeuwse literatuur. Proust forever zoals de titel van een van de bijdragen aan dit Bulletin luidt. In Nederland verschenen in het jubileumjaar 2019 alle delen van de Recherche opnieuw bij de Bezige Bij, met daarin een nieuwe, geannoteerde vertaling van Les jeunes filles en fleurs van Désirée Schyns en Philippe Noble. Met hun artikel over de dilemma’s waarvoor zij zich bij hun vertaling à quatre mains gesteld zagen, opent dit Bulletin. Uit de bespreking van twee eveneens recente studies blijkt dat er zowel voor de beginnende als de doorgewinterde Proustlezer ook goed leesbare Nederlandstalige gebruiksaanwijzingen bij de Recherche voorhanden zijn. En voor wie geïnteresseerd is in de talrijke secondaire personages levert de zoektocht door de Recherche naar de ogenschijnlijk onbetekenende Théodore een verrassende ontknoping op.

Onder de titel Le mystérieux correspondant et autres nouvelles inédites verscheen
in oktober 2019 een verzameling nooit eerder uitgegeven novelles die Proust bestemde voor Les plaisirs et les jours (1895) maar er uiteindelijk niet in opnam. Uit de in dit Bulletin besproken bundel ‘Marcel Proust et Reynaldo Hahn’, samengesteld door Luc Fraisse in samenwerking met twee musicologen, wordt al veel duidelijk over de context waarin Proust deze novelles heeft geschreven. Maar Le Mystérieux correspondant zelf wil de redactie, voor één keer in de rol van Sheherazade, als cliffhanger gebruiken. Het volgende nummer van dit Bulletin zal zeker een bespreking wijden aan deze recent uit de archieven opgedoken teksten.

Georges Perec, een gebruiksaanwijzing

Georges Perec, een gebruiksaanwijzing 9200000108613992

Presentatie op 3 october 2019, Spui25, van herziene en uitgebreide herdruk van Georges Perec, een gebruiksaanwijzing (2003).  Met een nieuw hoofdstuk over ‘het ondergewone’, meer details over de lipogramteksten  en Lieux ,  analyses van Tentative d’épuisement d’un lieu parisien, van Je me souviens, het dromenboek, en uitbreiding van het hoofdstuk over Het leven een gebruiksaanwijzing.  

Ook wordt de heruitgave van W of de jeugdherinnering in de vertaling van Edu Borger gepresenteerd. Sprekers zijn de essayist Cyrille Offermans, ruimtelijk ontwerper Frans Bevers, schrijfster Radna Fabias en Manet van Montfrans.

Sanne Vanderbruggen van toneelgroep BOG leest een passage voor uit Een man die slaapt.

Spui25, Spui 25-27, 1012 VX Amsterdam

17.00 -19.30 uur

aanmelden via website Spui25

Onuitgegeven werk van Proust

In Le monde des livres van 23 augustus 2019:

Op 9 oktober 2019 verschijnen bij de Editions de Fallois acht niet eerder uitgegeven novelles van Proust: Le mystérieux correspondant et autres nouvelles inédites, édité par Luc Fraisse. Bernard de Fallois (1926-2018) bezorgde in de jaren vijftig twee belangrijke teksten van Proust, Jean Santeuil, en Contre Sainte-Beuve. In zijn testament vermaakte hij zeven archiefdozen met Proust-materiaal aan de Bibliothèque nationale française. Daarin bevonden zich de op een na niet eerder uitgegeven verhalen. Het zijn de vruchten van een nooit voltooid proefschrift waarvan een gedeelte, Proust avant Proust, dit jaar al bij Les belles Lettres is gepubliceerd. Waarom heeft Proust deze verhalen niet opgenomen in Les plaisirs et les jours (1896)? En waarom heeft De Falllois nooit van hun bestaan gerept?

Proust zou deze verhalen, die als onderwerp de homoseksualiteit hebben en die hij geschreven had ten tijde van zijn verhouding met Reynaldo Hahn, niet hebben willen publiceren. De uitgave ervan zou Bernard de Fallois, wiens bemoeienissen met het vroege werk van Proust geen genade konden vinden in de ogen van de toenmalige academische Proust-specialisten, gedwongen hebben hen opnieuw te benaderen.  We horen er ongetwijfeld nog meer over.

De rue Simon-Crubellier in Amsterdam

De  rue Simon-Crubellier op het Stadionplein

Sinds november 2018 is de rue Simon-Crubellier, het adres van het appartementengebouw in Perecs grote roman, Het leven een gebruiksaanwijzing ,  niet langer een imaginair adres. In november 2018 werd in Amsterdam, op het plein tegenover het voormalig Olympisch stadion, een omgevingskunstwerk onthuld dat door de maker, de Britse kunstenaar Matthew Darbyshire (Cambridge, 1977),  ‘11, rue Simon Crubellier’ werd gedoopt. Het is een drie-kamerappartement zonder muren, de meubilering ervan kwam tot stand door een selectie uit vijftig soorten huishoudelijke voorwerpen, van elke soort waren er vijf items waaruit de bewoners van het plein een keuze mochten maken. Vier van de vijf items waren afkomstig uit Nederlandse museumcollecties, zoals apparatuur uit het Nemo museum of designmeubilair uit het Stedelijk Museum Amsterdam. De definitief gekozen meubels en gebruiksvoorwerpen, enigszins cartoonesk uitvergroot, zijn vervaardigd uit zwart brons en grijs beton. Darbyshire zegt zich bij zijn werkwijze te hebben laten inspireren door de contraintes en de vormaspecten van Het leven een gebruiksaanwijzing.

Het kunstwerk is bedoeld als ontmoetingsplek voor de buurtbewoners in de openbare ruimte maar heeft ook een kritische teneur. Het interieur weerspiegelt de wijk: de algemene smaak, de sociaaleconomische samenstelling, leeftijdsopbouw, ras en geloof.

Zie ook https://marionalgra.wordpress.com/

Proust in de Lage Landen: Viering van het 45-jarig bestaan van de Marcel Proust Vereniging

Met Proust in Haarlem

Marcel Proust (1871-1922) maakte in zijn leven slechts enkele buitenlandse reizen. In de zomer van 1893 verbleef hij in het mondaine Sankt Moritz en in het voor- en najaar van 1900 bracht hij een maand door in Venetië. In oktober 1898 bezocht hij in Amsterdam de grote Rembrandt-tentoonstelling die ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina was georganiseerd. In oktober 1902 reisde hij via Brugge (tentoonstelling van Vlaamse Primitieven), Antwerpen, Dordrecht en Delft naar Amsterdam.* Vanuit Amsterdam, waar hij in het Hotel de l’Europe logeerde, maakte hij een dagtochtje met een trekschuit naar het schildersdorp Volendam, ging hij naar Den Haag om Het gezicht op Delft van Vermeer te bewonderen en naar Haarlem voor de Frans Hals collectie. In het Louvre had Proust al een grote bewondering opgevat voor Rembrandt, Pieter de Hooch en Ruysdaël. Hij was echter van mening dat een schilderij aan betekenis wint als je het ziet in de omgeving waarin het gemaakt is. Proust bekeek Nederland dan ook ter plekke door de bril van de schilders van de Gouden Eeuw en trad daarbij in de voetsporen van zijn landgenoot Eugène Fromentin (Les Maîtres d’autrefois) en  vele andere Europeanen voor wie een verblijf in Nederland net zulke verplichte kost was als de Italië-reis. Vanaf 1909/1910, toen hij begon te werken aan zijn grote roman A la recherche du temps perdu, sloot Proust zich op in zijn werkkamer annex slaapvertrek aan de boulevard Haussmann, waar hij tot 1919 woonde. De indrukken die hij tijdens zijn reizen had opgedaan werden daar tijdens het schrijfproces ingesponnen in een ingenieus web van motieven en verwijzingen waarin Rembrandt en Vermeer een prominente rol spelen. Ik noem de beroemde scène waarin Proust de schrijver Bergotte laat sterven tijdens een bezoek aan een tentoonstelling van Vermeer in het Jeu de Paume. ‘Zo zou ik heb moeten schrijven’, verzuchtte Bergotte bij het aanschouwen van Het gezicht op Delft, en blies de laatste adem uit.

Maar ook Prousts bezoek aan Haarlem heeft zijn sporen in de Recherche nagelaten. Tijdens een diner bij de hertog en hertogin de Guermantes komt het gesprek op de schilderkunst en laat de verteller zich ontvallen dat hij op zijn reis langs de musea van de Lage landen Haarlem heeft overgeslagen. De hertogin, die haar eigen portret door de schilder Elstir  een gelijkenis vindt vertonen met De regentessen van het gasthuis van Frans Halsreageert hierop verontwaardigd. ‘Wat, u hebt een reis naar Nederland gemaakt en u bent niet in Haarlem geweest? Maar, al had u maar een kwartier de tijd gehad, het is iets buitengewoons om de schilderijen van Frans Hals te hebben gezien. Ik zou willen zeggen – al kreeg je ze maar te zien vanaf een dubbeldekstram zonder te stoppen, stel dat ze buiten waren tentoongesteld, dan zou  je je ogen wagenwijd moeten openzetten’.  Een opmerking die de verteller in staat stelt het snobisme van het aristocratische milieu belachelijk te maken, en tegen te werpen dat bij het bekijken van kunst je oog niet eenvoudig een registrerend apparaat is dat momentopnamen maakt. (De kant Van Guermantes, De Bezige Bij, 2004, 547-548).

Tijdens  haar recente drie lustra volgde de Marcel Proust Vereniging (opgericht in 1972) Proust op zijn tocht door Nederland: na Delft (2007) en Dordrecht (2012),  koos zij voor de viering van haar vijfenveertigjarig bestaan op 27 november 2017 Haarlem.  Bij de rondleiding door het Frans Hals museum bleken de Regentessen van het Gasthuis zich in het restauratieatelier te bevinden, zodat de deelnemers het,  voor zover het deze bron van Proust betrof,  op hun i-phone waren aangewezen.

Frans Hals - De regentessen van het oudemannenhuis (1664)
Frans Hals – De regentessen van het oudemannenhuis (1664)

 

 

 

 

 

 

 

Het recital met liederen van Prousts apollinaire-de-karper-la-carpe-doormantijdgenoten  (Fauré, Saint Saëns, Franck e.a.) ‘Extase of spijt: Tijd die stil staat, of verglijdt’‘door Vera Ramer (sopraan) en Peter van de Kamp (pianist) deed de verschillende speculaties over de inspiratie van la petite phrase de Vinteuil  de revue passeren. Wie zich teveel dreigde te laten meeslepen door melancholie werd door het  ironische karper-lied van Poulenc uit zijn gronderige stemming gehaald. (www.youtube.com/watch?v=bDP56XRlJB8)

*Zie hierover ook Marcel Proust Aujourd’hui no 10 (2011), waarin deze en andere aspecten van Prousts Voyage en Hollande worden belicht door een internationaal gezelschap van Proust-specialisten. Zo bleek bijvoorbeeld uit de studie van de manuscripten dat Amsterdam in de eerste versies van de Recherche nog een idyllische droombestemming was waarin liefde en kunst hand in hand gingen. In de definitieve versie is de droom een nachtmerrie geworden: de ik-figuur maakt in zijn door ziekelijke jaloezie gevoede verbeelding van Amsterdam een oord van verderf, een waar ‘Sodom’, waar zijn geliefde, Albertine, hem ontrouw is geweest of zal worden. Via een omweg wordt Albertine geassocieerd met de Bethsabee van Rembrandt die op het punt staat op de avances van  Koning David in te  gaan en haar echtgenoot te verraden.